Pelé: koning in Zuid-Amerika en Europa (2)

maxresdefault

Menig wenkbrauw fronste toen Cristiano Ronaldo zichzelf bestempelde als de beste voetballer aller tijden. Na het winnen van zijn vijfde Gouden Bal verklaarde de Portugees in een interview met France Football dat hij nog nooit een betere voetballer dan hemzelf gezien heeft en dat er niemand is die de dingen met een bal kan die hij kan. Of Ronaldo de beste voetballer aller tijden is lijkt vooral een kwestie van smaak en omdat er veel factoren meespelen, is het moeilijk om de beste aller tijden ’zomaar even’ aan te wijzen. In deze uiteenzetting gaan we dat dan ook niet doen. In de discussie over de beste aller tijden worden er steevast vijf namen genoemd; Johan Cruijff, Diego Armando Maradona, Lionel Messi, Pelé en dus ook Cristiano Ronaldo. Over Pelé wordt wel gezegd dat hij de beste aller tijden is (iets waar hij zelf ook van overtuigd is) maar hoe goed was de Braziliaan nu werkelijk? In een tweeluik kijken we daarvoor naar twee dingen; zijn prestaties op het WK en, misschien nog wel belangrijker, zijn prestaties tegen Europese clubs.

Het eerste deel in dit tweeluik behandelde Pelé’s geschiedenis op het WK en daaruit bleek waarom men in Brazilië met weemoed terugdenkt aan haar beste voetballer aller tijden. Toch is het WK niet de beste graadmeter om erachter te komen wie nu de titel ’beste voetballer aller tijden’ met recht mag dragen. Cristiano Ronaldo en Messi zouden anders meteen afvallen en dat geldt ook voor Cruijff en Di Stéfano. Daarnaast zien we vaak dat er op een WK soms opvallende resultaten en uitschakelingen zich voordoen. En toch, al zouden we het WK als graadmeter nemen, dan kent Pelé met drie gewonnen titels geen concurrentie, al was zijn aandeel in het WK van 1962 beperkt te noemen. Daarnaast hebben veel spelers van het Italiaanse nationale elftal van 1934 en 1938 ook twee keer het WK gewonnen, met Giuseppe Meazza als de meest in het oog springende naam. Alhoewel Meazza een formidabele speler was en een vermelding waard is, gaan we niet dieper op hem in.

Nee, we laten de grootste prijs in het voetbal in dit tweede stuk achterwege. We behandelen nu de clubspeler Pelé, die met Santos de hele wereld veroverde in een team dat door veel journalisten en fans van over de hele wereld als het achtste wereldwonder werd beschouwd. Vanaf 1957, toen Pelé als zestienjarige puber in Stockholm zijn eerste stappen op Europese bodem zette in een vriendschappelijke wedstrijd tegen de plaatselijke profclub AIK t/m 1974, toen hij in september van dat jaar zijn laatste wedstrijd tegen een Europese club speelde (Real Zaragoza) en die met 3-2 won. Zelf tekende hij in die wedstrijd voor twee treffers.

Een ongekend gemiddelde

De clubvoetballer Pelé is veel moeilijker op waarde te schatten dan de international Pelé omdat de zwaarte van de eigen nationale competitie onmogelijk op waarde te schatten is. In tegenstelling tot vandaag de dag bleven de meeste grote spelers in eigen land actief ondanks interesse van Europese clubs (enkele uitzonderingen daargelaten). Zo ook Pelé, die pas op zijn 35e, niet meer interessant voor de Europese top, de overstap maakte naar de New York Cosmos, daarvoor uitsluitend uitkomend voor Santos. Met Santos werd Pelé tien keer kampioen van de deelstaat São Paulo en zes keer landskampioen en won hij vier keer de Braziliaanse beker. Op internationaal gebied werd twee keer de Copa Libertadores, het Zuid-Amerikaanse equivalent van de Europacup, gewonnen. Daardoor mocht Santos twee keer meedoen in de strijd voor de Wereldbeker maar daar komen we straks nog op terug.

Santos en Benfica voorafgaand aan de Wereldbekerfinale in 1962
Santos en Benfica voorafgaand aan de Wereldbekerfinale in 1962

Gerechtvaardigd is de vraag waarom Pelé nooit vertrok naar Europa voor een lucratief dienstverband bij een Europese topclub. Vavá bijvoorbeeld vertrok met succes naar Atlético Madrid en Julio Botelho (Fiorentina) en José Altafini (AC Milan), grote Braziliaanse spelers, kozen wel voor het avontuur in Europa. Het was echter zo dat Pelé in 1961 tot nationaal erfgoed verklaard werd waardoor interesse van Real Madrid, Juventus en Manchester United na het WK van 1962 te laat kwam. Pelé mocht simpelweg niet verkocht worden aan Europa omdat hij te belangrijk was voor de stemming en gemoedstoestand in het land.

En dus moeten we het doen met de vele vrienschappelijke wedstrijden die Pelé op tournee in Europa speelde. En veel wedstrijden waren het; tussen 1957 en 1974 speelde Pelé 129 wedstrijden tegen een Europese club, sommigen op eigen bodem (zoals de wedstrijden om de Wereldbeker) maar de meerderheid op Europese bodem. In die 129 wedstrijden scoorde Pelé maar liefst 141 doelpunten, een gemiddelde van 1,09 per wedstrijd (!). Van de 129 werden er 89 gewonnen, 21 gelijkgespeeld en slechts 19 verloren. Een winstpercentage van 69% (!), in 85% van de wedstrijden werd er zelfs niet verloren. Dat zijn natuurlijk geweldige cijfers maar dat zegt nog niet alles. Het niveau van de tegenstanders liep namelijk erg uiteen; van een samengestelde selectie van spelers uit Enschede (in 1959, 5-0 winst, drie goals van Pelé) t/m het Real Madrid van Di Stéfano (eveneens in 1959, 5-3 verlies, één goal van Pelé). Daarom lichten we er een paar wedstrijden uit waarin Santos het opnam tegen de absolute top van Europa maar kijken we ook hoe Pelé het deed tegen teams uit een bepaald land.

Geen partij voor Eusébio

De eerste grote krachtmeting die Pelé en Santos hadden, was tegen Benfica in 1957. Pelé, die nog zeventien moest worden, stond daar tegenover het geraamte van het elftal dat in 1961 en 1962 de Europacup 1 zou worden. Weliswaar nog zonder Eusébio, die nog nietsvermoedend met vrienden voetbalde in Mozambique en pas in 1961 zijn debuut zou maken bij Benfica. Dat Pelé een bijzondere speler was bleek wel uit zijn twee doelpunten tegen de geharde verdediging van de Portugezen, die weinig grip hadden op de nog jonge Pelé. Dat smaakte natuurlijk naar meer en twee jaar later nam Santos het op tegen Hamburger SV, dat in het seizoen 1958-59 kampioen geworden was van de Oberliga Nord en net naast de landstitel greep in de kampioenscompetitie. In Hamburg liep ene Uwe Seeler rond, een soort voorloper van Gerd Müller en uiterst dodelijk voor het doel gezien zijn 34 doelpunten in 31 wedstrijden. In een open wedstrijd waarin beide ploegen voor de aanval gingen werd het uiteindelijk 3-3 en Pelé wist, bijzonder genoeg, niet tot scoren te komen.

Dat lukte hem dus wel tegen Real Madrid in de eerdergenoemde ontmoeting. De ploeg van Di Stéfano had net zijn vierde Europacup 1 op rij gewonnen toen op 17 juni Santos op audiëntie kwam. Dat de achttienjarige Pelé niet de wedstrijd naar zijn hand kon zetten mag geen wonder heten, want er liep geen betere speler op de aardbol rond dan Di Stéfano, zelfs niet de nog jonge Pelé. Drie doelpunten waarvan dus een van Pelé tegen de beste ploeg ter wereld is in dat opzicht een goede prestatie te noemen. Via enkele aansprekende wedstrijden tegen Sporting Lissabon (2-2, één goal van Pelé), Valencia (4-4, wederom één keer Pelé), Internazionale (7-1 winst, vier keer Pelé) en FC Barcelona (5-2 winst, twee keer Pelé) zou Santos het een jaar later in 1960 opnemen tegen Stade Reims. Stade Reims is vandaag de dag geen schim meer van wat het ooit geweest is, want toen Santos het tegen de Franse club opnam, had de club al twee finales in de Europacup 1 achter de rug, in 1956 en 1959 (beide verloren van Real Madrid). In de wedstrijd tegen Santos stonden de grote Franse namen Robert Jonquet, Michel Leblond, Roger Piantoni en Just Fontaine in de basis. De 5-3 einduitslag die na negentig minuten op het bord stond was wat dat betreft sensationeel noemen en met een goal was Pelé weer van belang voor zijn ploeg. Het liet de grote kwaliteiten van Santos zien, dat inmiddels in Pelé de grootste publiekstrekker ter wereld in het team had. In de jaren daarna zou dat publiek massaal uitlopen om Pelé te mogen aanschouwen, zeker omdat tv-beelden slechts beperkt waren tot het Wereldkampioenschap in die tijd. Het waren echter niet alleen maar vriendschappelijke wedstrijden tussen Santos en de Europese clubs. Twee keer stond er een heuse prijs op het spel; de Wereldbeker van 1962 en 1963.

img_770x4332016_10_08_19_31_46_1167745

In die twee Wereldbekerfinales nam Santos het op tegen Benfica en AC Milan en twee keer werd de beker gewonnen. Tegen Benfica waren de doelcijfers indrukwekkend en zelfs schokkend te noemen; over de twee wedstrijden werd er met 8-4 gewonnen. In het eigen Maracanã werd er met 3-2 gezegevierd. Pelé opende zelf in de 31e minuut de score maar Benfica, de beste club van Europa, kwam in de tweede helft sterk aan de dag. Via Santana werd er in de 58e minuut gelijkgemaakt. Coutinho bracht Santos echter weer op voorsprong en in de 85e minuut gooide Pelé naar het leek met de 3-1 de wedstrijd op slot. Toch was het weer Santana die twee minuten later Benfica hoop gaf dat het in eigen huis de finale over twee wedstrijden in haar voordeel kon beslechten met de belangrijke 3-2.

Het maakte voor Pelé echter weinig uit of hij nu in het eigen stadion speelde of op vreemd terrein. De hoop die Benfica koesterde in het eigen Estádio da Luz werd al snel door Pelé zelf teniet gedaan. In de vijftiende en 25e minuut sloeg hij toe waarna Benfica al snel tegen een onoverkomelijke 2-0 achterstand kwam te staan. Vlak na rust maakte Coutinho het nog erger met de 3-0 en ook Pepe deed een duit in het zakje met de 4-0. Het was Pelé met het slotakkoord voor Santos door de 5-0 hard tegen de touwen te schieten. Via Eusébio (in de 85e minuut) en Santana (in de 89e minuut) deed Benfica nog wel iets terug, maar de uitslag stond: 5-2 in het holst van de leeuw. Een grotere vernedering zou Eusébio in zijn loopbaan niet meemaken.

Catenaccio tegen de Samba

Een jaar later stond er weer een geduchte tegenstander tegenover Santos in de finale. AC Milan, met spelers zoals Cesare Maldini, Giovanni Trapattoni, Altafini, Amarildo en Gianni Rivera, de beste Italiaanse voetballer van zijn generatie, was een stugge ploeg dat typisch Italiaans voetbal speelde. Vanuit de counter met de snelle Altafini en Amarildo had de ploeg in de Europacup 1-finale van 1963 Benfica verslagen (2-1). In het San Siro liep Santos dan ook in de val van coach Luis Carnigilia. Via twee goed uitgevoerde counters stond Milan via Trapattoni en Amarildo al na een kwartier op een 2-0 voorsprong. Na de rust deed Santos via Pelé nog wel wat terug maar de einduitslag van 4-2 was een harde tik voor Santos, dat zich na Benfica onaantastbaar waande. Erger nog was de blessure die Pelé opliep in een competitiewedstrijd waardoor hij niet mee kon doen in de thuiswedstrijd tegen Milan. Santos, zonder haar spelverdeler en talisman, verviel tot een ordinaire schopploeg. De Argentijnse arbiter Brozzi leek de harde charges van de Brazilianen niet te willen zien en gaf Santos wel erg vaak voordeel waar de ploeg het niet verdiende. De 4-2 overwinning betekende dat er een beslissingswedstrijd gespeeld zou moeten worden twee dagen later. Pelé kon nog steeds niet meedoen en wederom zag Brozzi wel erg veel overtredingen van Santos door de vingers. Toen aanvoerder Maldini na een schwalbe van Dorval (en de toegekende vrije trap van Brozzi voor Santos) verhaal ging halen bij de scheidsrechter, werd hij prompt met een rode kaart van het veld gestuurd. Wat ongelukkig voor Milan ging de vrije trap er nog in ook en daar zou het die wedstrijd bij blijven. Waar Santos Benfica met aanvallend en mooi voetbal vernederd had, liet het tegen AC Milan zonder Pelé een hele donkere kant van zichzelf zien. De blijdschap was er echter niet minder om bij de Brazilianen en het zou uiteindelijk in de historie van de club bij deze twee finales blijven.

Pelé zou met Santos in de vele tours door Europa veelvuldig tegen een Italiaanse opponent komen te staan; in totaal 38 wedstrijden. Hij scoorde daarin echter 41 doelpunten en dat laat zien dat de spits ook tegen de meest stugge verdedigingen van Europa een-op-een kon lopen. Van die wedstrijden werd verder 76% gewonnen, een knap aantal. Het waren voornamelijk de Spaanse ploegen waar Santos het altijd moeilijk mee had. Van de veertien onderlinge wedstrijden werden er zes verloren en slechts vijf gewonnen. Pelé kwam zelf niet verder dan negen doelpunten. Daarmee waren de Spaanse ploegen verreweg het zwaarst voor Santos, want het winstpercentage van 36% is voor Santos-begrippen beschamend te noemen.

Een onuitwisbare indruk

Bijzondere cijfers maar bovenal bijzondere wedstrijden dus tussen Santos en de Europese top en subtop. Pelé heeft laten zien dat hij ook buiten Brazilië tot grootste daden in staat was. Vergeet niet dat er soms in een tour in een maand tijd zo’n twintig wedstrijden afgewerkt werden en dat er tussen de wedstrijden ook nog eens veel vraag was naar handtekeningen, interviews en fotoshoots. De internationale wedstrijden waren echter zo lucratief voor Santos (soms werd er weleens tot 30.000 dollar gevraagd, een groot bedrag voor die tijd) dat Pelé en de zijnen verplicht werden tot deelname. Maar bovenal heerste bij Pelé toch het enthousiasme van het opnemen tegen de grootste voetballers ter wereld.

De vele anekdotes van mensen die Pelé live in actie gezien hebben of het tegen hem op mochten nemen op het veld zijn prachtig en bijzonder. Een van de mooiste komt van middenvelder Tommy Craig van Sheffield Wednesday die het in 1972 met zijn club tegen Santos opnam. Craig, die zo graag het shirt van Pelé wilde hebben, volgde de laatste tien minuten tot hilariteit van het publiek Pelé in het kielzog om zo het felbegeerde tricot te bemachtigen. Hij vroeg zelfs aan de scheids om hem een seintje te geven als hij bijna af zou fluiten, zodat hij er zeker van kon zijn dat hij bij Pelé in de buurt was. Toen de wedstrijd uiteindelijk af was bleef Craig net zo lang aan Pelé’s middel hangen totdat hij zijn shirt uitgedaan had.

Is Cristiano Ronaldo nu beter dan Pelé? Ondanks dit tweeluik blijft dat toch echt een kwestie van smaak. Ja, het voetbal is sneller geworden. De spelers zijn fitter en meer afgetraind. Maar ook Pelé was in zijn tijd een beest in het veld, een topatleet. Tel daarbij op de soms erbarmelijke velden, de ballen van mindere kwaliteit dan nu en de slechtere voorwaarden voor voetballers om te presteren (geen afzonderingen in hotels, niet iedere week een nieuw shirt of een nieuw paar schoenen etc.) en het blijft ontzettend lastig om de beste aller tijden aan te wijzen. Toch is er wat dat betreft een goede graadmeter te noemen; de Gouden Bal. Messi en Cristiano Ronaldo hebben deze allebei vijf keer gewonnen, Pelé nul keer maar tot 1995 kon de Ballon d’Or alleen gewonnen worden door een Europese speler. Mede daarom werd Di Stéfano genaturaliseerd tot Spanjaard en won hij de Gouden Bal in 1957 en 1959 en Omar Sívori (genaturaliseerd tot Italiaan) in 1961. Vorig jaar hebben ze echter de Gouden Ballen voor 1995 opnieuw verdeeld. Daaruit blijkt dat Pelé er zeven had gewonnen als de prijs vanaf het begin af aan door spelers van alle continenten gewonnen had kunnen worden. Raymond Kopa (1958), Di Stéfano (1959), Luis Suárez Miramontes (1960), Sívori (1961), Lev Yashin (1963), Denis Law (1964) en Gerd Müller (1970) waren dus eigenlijk niet de rechtmatige winnaar in het jaar dat ze hem wonnen maar Pelé. Dat geldt verder voor Josef Masopust (in 1962 aan Garrincha), Kevin Keegan (in 1978 aan Mario Kempes), Igor Belanov (in 1986 aan Diego Maradona), Lothar Matthãus (in 1990 ook aan Maradona) en Hristo Stoichkov in 1994 naar Romário. Ze hebben natuurlijk niet echt hun Gouden Bal terug moeten geven want de nieuwe winnaars waren vooral symbolisch.

Pelé staat dus nog twee Gouden Ballen voor op Messi en Cristiano Ronaldo en als we ergens een lijn moeten trekken dan doen we het maar daar. Toch was dit tweeluik nodig om nog eens de kwaliteiten van Pelé te onderschrijven. Ze noemen hem niet voor niets ’El Rey’ hè

Geschreven door Max van der Gulik

Max noemt zichzelf een voetbalromanticus dan wel voetbalestheticus. Schrijft graag historisch getinte artikelen, als ook analyses van het hedendaagse voetbal. Max is geen fan van een club en raadt dat iedereen van harte aan. Na zijn pensioen heeft hij het voornemen om boeken te gaan schrijven, je moet wat hè.