De magiërs uit het Oosten, deel 5: Safet Sušić

bbhbumfiqaaeku7

De stad Parijs heeft al eeuwen op mensen een ontegenzeggelijke aantrekkingskracht. Van heinde en verre komt men om zich in de stad van de liefde te vestigen. Een jonge schrijver die luisterde naar de naam Ernest Miller Hemingway vertrok in de jaren ’20 naar Parijs omdat de huizenprijzen er laag waren maar voornamelijk vanwege ’de interessante mensen die er wonen’. Marie Curie, de bekende Poolse scheikundige en eerste vrouwelijke winnares van de Nobelprijs, koos voor een studie aan de universiteit van Parijs. En ook zanger Jim Morrison van The Doors kon de verleiding van de Franse hoofdstad niet weerstaan. Zijn vriendin Pamela Coursin was al eerder afgereisd naar Frankrijk en in maart 1971 voegde Morrison zich bij haar.

Morrison mocht graag alleen dwalen over de lege straten van Parijs. Na het grote succes van The Doors en het laatste album waar Morrison aan meewerkte, L.A. Woman, ging het snel bergafwaarts met de zanger. Een jaar eerder had hij op het podium een zenuwinzinking gehad en als gevolg daarvan wilde de band eigenlijk stoppen met optreden. Morrison, niet meer in staat zonder drugs en alcohol te kunnen functioneren, zag Parijs als een uitvlucht. Hij hield het er echter niet lang vol en overleed er op 3 juli 1971 aan de gevolgen van een hartaanval, al is er nooit autopsie op zijn lichaam gedaan. Zijn graf op de Père Lachaise in Parijs is voor veel fans van de band inmiddels een bedevaartsoord geworden en wordt door de grote toeloop overdag bewaakt door de medewerkers van de begraafplaats.

Parijs is echter niet alleen voor schrijvers, scheikundigen en zangers een plek om naar te vluchten. Ook voor voetballers is de stad een magische plek, terwijl Parijs tot voor kort niet echter over een Europese topcub kon beschikken. Pas met de oliedollars van Nasser Al-Khelaifi is Paris-Saint Germain uitgegroeid tot een van de smaakmakers in Europa en mag het zich dit seizoen scharen in het rijtje voor de favorieten om de Champions League te winnen. Het kan nu wel met mooie salarissen en dito bonussen de beste spelers aan zich binden, al zal het vooruitzicht om in Parijs te kunnen wonen ook meehelpen.

Een plek voor geniale mensen

Ver voordat er sprake was van Qatarese invloeden trok de stad Parijs al enkele grote voetballers van over de hele wereld aan. Zuid-Amerikaanse, Afrikaanse, West-Europese maar ook Oost-Europese supersterren. In het eerste geval nog niet zozeer bij Paris Saint-Germain, want de club van Neymar en Edinson Cavani bestaat pas sinds 1970. De eerste grote club die uit Parijs voortkwam was Racing Club de Paris, dat tussen 1932 en 1967 en later tussen 1983 en 1990 bestond. David Ginola, later een grootheid in Engeland bij Tottenham Hotspur, voetbalde hier op jonge leeftijd, net als Roger Marche, 63-voudig international voor Frankrijk. Ook ras-Ajacied Sonny Silooy, Wereldkampioen Pierre Littbarski (in 1990 met West-Duitsland) en Enzo Francescoli, het jeugdiool van Zinedine Zidane kwamen voor RC Paris in actie.

Parijs heeft echter nog vier andere clubs gekend, de een succesvoller dan de ander. CA Paris-Charenton kende van 1932 t/m 1963 slechts een zieltogend bestaan. Eenzelfde lot is Stade Français beschoren, dat nooit een grote prijs won maar nog wel steeds bestaat. Dat geldt ook voor Red Star F.C. en Paris FC. Red Star hield in 2001 op te bestaan maar maakte in 2015 verrassend een come-back in het voetbal. Paris FC bestaat net als Paris Saint-Germain ook nog niet zo heel lang, sinds 1969, en komt momenteel uit in de Ligue 2.

coppa_coppe_1983-84_-_torino_-_juventus_vs_psg_-_safet_susic

In vergelijking met Red Star en Paris FC kent Paris Saint-Germain echter sinds haar bestaan louter selecties met opvallende spelers. De club, hiervoor bekend als Stade Saint Germain, fuseerde in 1970 met Paris FC en in 1973, na de promotie naar de Ligue 1 en nadat modeontwerper Daniel Hechter de club overgenomen had, wist het sterspeler na sterspeler aan te trekken. Vooral onnavolgbare dribbelaars doen het goed in het Parc des Princes.

Van Mustapha Dahleb naar Ronaldinho

Hechter wilde de club naar grote hoogten stuwen en daarvoor was in zijn optiek veel geld en goede spelers nodig. De eerste grote naam die hij aan de club wist te binden, was Mustapha Dahleb. De technische middenvelder kwam in 1974 en zou uiteindelijk uitgroeien tot een clublegende en meer dan 300 wedstrijden spelen. Enkele seizoenen later kwam de Argentijn Carlos Bianchi de gelederen versterken. Hij zou over twee seizoenen in 74 wedstrijden tot 64 goals komen, een formidabel gemiddelde.

In de jaren daarna tot de overname in 2011 deden enkele baltovenaars Parijs aan. Ginola kwam in 1991 voor PSG spelen en groeide uiteindelijk bij Newcastle United en Tottenham uit tot een speler van wereldformaat. Een jaar later voegde de Gouden Bal-winnaar van 1995 George Weah zich bij Paris Saint-Germain. Weah vormde samen met Ginola een dodelijk duo, in de rug geholpen door de Braziliaan Raí, dat de club twee Coupe de Frances, een Coup de la Ligue en in het seizoen 1993-94 de landstitel opleverde. Ook werd er drie seizoenen op rij een halve finale gehaald in een Europees clubtoernooi. Na het vertrek van Ginola en Weah werd er een nieuw spitsenkoppel gevonden in Nicolas Anelka en Youri Djorkaeff, al waren zij wat nationale prijzen betreft minder succesvol. Anelka en Djorkaeff hielden het beide slechts een enkel seizoen vol in Parijs (al keerde Anelka later wel weer terug), maar dat leverde de club wel de winst van de Europacup II op in 1996.

In 1998 trok PSG misschien wel de grootste techneut aan die de club ooit gehad heeft. De Nigeriaanse balkunstenaar Jay-Jay Okocha kwam namelijk over van Fenerbahçe en was direct een hit bij de Parijse fans. Okocha, die als geen ander tegenstanders volledig voor schut kon zetten, kende een prachtige tijd in Parijs en voetbalde vier seizoenen in Frankrijk. Hij vormde uiteindelijk in zijn laatste seizoen voor de club de leermeester voor een nog jonge Ronaldinho, die in 2001 te boek stond als het grootste talent ter wereld. Bij Barcelona hebben we allemaal kunnen zien waar hij toe in staat was en anders is Sergio Ramos misschien bereid om je bij te praten.

Een Bosnisch slangenmens

Het is misschien moeilijk om te geloven na het lezen van de eerder genoemde namen maar het was Safet Sušić die in 2010 door het voetbalblad France Football gekozen werd tot de beste buitenlandse speler in de geschiedenis van Paris Saint-Germain. De eerlijkheid gebiedt ons te zeggen dat inmiddels Zlatan Ibrahimović misschien wel meer aanspraak maakt op die titel, maar voordat de Zweed in Parijs kwam voetballen was er geen speler zo populair bij de fans als Sušić.

Sušić, die in de winterse transferperiode van 1982 de overstap maakte van FK Sarajevo naar PSG, was t/m 1991 een onbetwiste basisspeler voor Paris Saint-Germain. Hij kwam daarin tot 345 wedstrijden en 85 goals. In het seizoen 1985-86 was hij instrumenteel in de eerste landstitel voor PSG in haar clubhistorie, als aangever van spits Dominique Rocheteau maar ook als doelpuntenmaker, getuige de tien goals die hij als middenvelder in dat seizoen maakte. Maar bovenal was Sušić populair bij de fans vanwege zijn kwaliteiten als spelmaker. De Bosniër kon uit het niets teamgenoten vrij voor het doel zetten en dribbelde soms langs drie, vier tegenstanders alsof het niets voorstelde.

Daarnaast vertegenwoordigde Sušić Joegoslavië in interlands en was hij deel van de selecties op de WK’s van 1982 en 1990 en het EK van 1984, maar ieder toernooi eindigde uiteindelijk in mineur voor de Joegoslaven, hoe talentvol hun selectie ook soms was. Sušić zou uiteindelijk ook nog in 1993 twee interlands voor Bosnië en Herzegovina uitkomen na het uiteenvallen van Joegoslavië maar het zou uiteindelijk bij die twee wedstrijden blijven.

Sušić baande misschien wel de weg voor vrij voor veel andere dribbelaars in de geschiedenis van PSG en tot de de dag vandaag heeft de club een bijzondere relatie met dergelijke spelers. De huidige selectie van de club barst van de behendige dribbelaars, met Neymar, Lucas Moura en Kylan Mbappé, om er maar een paar te noemen en vermoedelijk zal dat de komende jaren wel zo blijven. Met een klein beetje dank dus aan de beste Bosnische voetballer aller tijden.

Overigens ben ik nog vergeten om een andere geweldige dribbelaar te noemen. Nog ver voordat Sušić in Parijs speelde, was het Johan Cruijff die zijn kunsten in het Parc des Princes vertoonde. Omdat Cruijff fan was van modeontwerper Hechter ging hij ermee akkoord om op een Parijs’ voetbaltoernooi twee wedstrijden mee te doen maar uiteindelijk zouden het niet meer wedstrijden worden. Het is echter des te meer een bewijs dat dribbelaars als een rode lijn door de geschiedenis van Paris Saint-Germain heenlopen.

Geschreven door Max van der Gulik

Max noemt zichzelf een voetbalromanticus dan wel voetbalestheticus. Schrijft graag historisch getinte artikelen, als ook analyses van het hedendaagse voetbal. Max is geen fan van een club en raadt dat iedereen van harte aan. Na zijn pensioen heeft hij het voornemen om boeken te gaan schrijven, je moet wat hè.