Een tijdperk zonder Cruijff (5): Faas Wilkes

140813-faas-wilkes

Noem in het buitenland de naam Johan Cruijff en iedereen weet dat je een Hollander bent, dat je voor goed voetbal staat en dat je deel uitmaakt van een groot voetballand. De indruk wordt weleens gewekt dat Nederland pas internationaal mee ging tellen toen ‘het orakel van Betondorp’ zijn eerste stappen op het hoogste niveau zette. Toegegeven moet worden dat de drie Europacups 1 van Ajax, nog veel meer dan de eerste van Feyenoord, het Nederlandse voetbal een gezicht gaf. Toch heeft Nederland enkele grote voetballers gekend, nog ver voordat Cruijff bij Ajax debuteerde, zelfs toen Cruijff nog geboren moest worden. In deze serie duiken we de geschiedenisboeken in, om de vedettes van weleer uit de schaduw te trekken en ze een plek in de spotlight te geven. In deel 5: Faas Wilkes

Het is een gegeven dat in tijden van crisis en rampspoed men zich keert of wederkeert tot het geloof. Zeker vandaag de dag, met terroristische aanslagen om ons heen, met de situatie in Noord-Korea maar ook met de klimaatverandering zoekt men steun in de kerk bij gelijkgezinden. Ook in Nederland is er de laatste jaren sprake van een kleine opleving in de geloofsbelijdenis, politici wijzen steeds vaker op onze Joods-Christelijke wortels (identiteitspolitiek) en hoe die onze cultuur vormgeven. Een traditie die te herleiden is tot de vierde eeuw na Christus, toen de Heilige Servatius ons land aandeed en eerst bisschop van Tongeren en later van Maastricht was.

Over de Heilige Servatius later meer. Wij richten ons nu tot een andere heilige. Deze werd vele eeuwen later geboren op 13 oktober 1923 in de wijk Crooswijk, ingeklemd tussen de andere wijken Kralingen, Boezem, het Oude Noorden en Centrum. Nee, we zijn niet op zoek naar ’Europe’s First Lady of Jazz’ Rita Reys, die weliswaar het leven zag in de armste buurt van Nederland maar daar pas een jaar later, op 21 december 1924, geboren zou worden. Reys woonde er in de Kortewagenstraat maar verhuisde al vrij snel, in februari 1925, naar de Prinsenstraat. Sevaas ’Faas’ Wilkes hield het echter langer vol in Crooswijk en daarmee hebben we onze heilige bij naam en toenaam genoemd.

Faas Wilkes dus. Vernoemd naar de Heilige Servatius en in voetbaltermen maar ook daarbuiten zeker niet minder heilig. Een gentleman. De beste voetballer die Rotterdam ooit gekend heeft. Volgens Jan Mulder, in zijn boek ’De Analyticus’, is ’Faas Wilkes de naam van de allergrootste voetbalkunst in Nederland-België’ Niks Dennis Bergkamp, niks Willem van Hanegem, niks Marco van Basten, niks Jan Ceulemans, niks Enzo Scifo en niks Johan Cruijff, maar Faas Wilkes dus. Een solist. De grootste solista die men in Milaan en Valencia ooit gezien heeft. Een elegantere dribbelaar dan Cruijff (alweer Jan Mulder).

Voor eeuwig in het Giuseppe Meazza

Wat maakt dat Faas Wilkes een heilige is? Hij heeft zijn voornaam in ieder geval mee maar dat zou betekenen dat Servaas Schoone, kunstenaar/ondernemer en Servaas Stoop, politicus van de SGP, ook heilig zijn. Zo simpel is het echter niet. Nee, Wilkes is heilig omdat hij met zijn vele beroeringen van de bal miljoenen mensen in vervoering bracht, niet alleen in Milaan en Valencia maar ook in Rotterdam, in Sittard en ja, zelfs in Venlo.

Wilkes speelde in Rotterdam, dus dan zeker voor Feyenoord, de grootste club van de stad, toch? Ach trouwe lezer, welk een gebrek aan historisch besef! Nee, Wilkes speelde voor RFC Xerxes, de club waar ook Van Hanegem, Leo Beenhakker en Coen Moulijn furore maakten. Wilkes had een groot aandeel in de promotie van Xerxes van de Eerste Klasse West-II naar de Eerste Klasse West I (u ziet, destijds was het voetbal op het hoogste niveau nog in klasses verdeeld). Met negentien treffers in 24 wedstrijden in het seizoen 1947-48 en 21 in 25 wedstrijden in het seizoen 1948-49 trok de jonge Wilkes de aandacht van enkele grote Nederlandse topclubs. Maar Wilkes wilde meer. Hij wilde van zijn passie zijn beroep maken maar o wee als dat naar buiten zou komen; welk een schandaal dat opleverde werd snel duidelijk.

b0um43mimaadhir
Di Stefano, Telmo Zarra, Wilkes en Kubala na afloop van een wedstrijd in 1954.

Broer Leen en Faas hadden wel oren in een vertrek naar MVV en de Maastrichtse club bood in ruil twee Bedford-vrachtwagens aan (u weet wel, de trucks met de lange neus, vaak vereeuwigd in zwart-wit foto’s). Dat was me toch wat voor de familie Wilkes, die immers al jaren een goedlopend transportbedrijf hadden. De bond kwam echter achter de ophanden zijnde transfer en dreigde de broers Wilkes met een speelverbod van een jaar. De twee voetballende broers moesten daar niet aan denken en zagen toch maar af van hun overstap.

Wilkes kreeg niet veel later waar hij echter al die jaren op gehoopt had; een profcontract in de voetballerij. Het grote Internazionale wilde de Rotterdammer voor 60.000 gulden naar Milaan lokken, een godsvermogen in 1949 zo vlak na de oorlog. Wilkes ging overstag en werd zo de vierde Nederlander (na Gerrit Keizer, Beb Bakhuys en Gerrit Vreeken) die in het buitenland als prof aan de gang ging. Het was de grootste transfer van een Nederlandse voetballer tot dan toe en de bond was er allerminst blij mee. Er werd gespuugd op het profvoetbal in Nederland (kunt u zich vandaag de dag dat nog voorstellen?) en het werd Wilkes verboden tot nader orde voor Oranje uit te komen.

Een hard gelag voor Wilkes, die tot dan toe in achttien interlands tot hetzelfde aantal doelpunten gekomen was. Zijn meest memorabele wedstrijd was misschien wel die tegen Engeland op de Olympische Spelen van 1948, toen Wilkes voor de 3-3 in de wedstrijd tekende en zo Nederland naar de verlenging schoot. Alhoewel Engeland uiteindelijk met 4-3 zegevierde was dat toch een moment van historisch belang in de geschiedenis van het Nederlandse voetbal.

Toch maakte het vooruitzicht van het voetballen en wonen in de stad Milaan veel goed. Hij kwam in een subliem elftal terecht. Enzo Bearzot speelde in de modestad, de bondscoach van het Italië van 1982 dat kampioen van de wereld werd. Amedeo Amadei was een jaar eerder overgekomen van AS Roma, waar hij vanwege zijn vele doelpunten door de fans liefkozend de ’Achtste Koning van Rome’ werd genoemd. En dan was er ook nog István Nyers, de Hongaarse topspits die deel uitgemaakt had van de Magische Magyaren, het Hongaarse elftal dat in 1954 op een haar na geen wereldkampioen werd, ware het niet dat hij te snel de stap naar het buitenland maakte en zo de boot een beetje miste.

Diezelfde Nyers schoot er in het eerste seizoen van Wilkes bij Inter er dertig in, waarmee hij gek genoeg geen topscorer werd (die eer ging naar de Zweed Gunnar Nordahl, die er vijf meer maakte). Wilkes was zelf met zeventien treffers van groot belang voor Inter dat seizoen, het seizoen 1949-50, waarin de club een derde plek behaalde. Het seizoen daarop zag Wilkes versterking komen in Lennart Skoglund, een geniale Zweedse middenvelder die in 1958 in de basis zou staan in de finale van het WK tegen Brazilië. Toch was het Wilkes die de harten van de Inter-fans veroverde. Hij leidde dat seizoen met 23 treffers Inter na een tweede plek in de competitie op slechts een puntje van aartsrivaal AC Milan.

In zijn laatste seizoen voor Inter zag Wilkes zijn aandeel in het spel slinken en besloot hij te verkassen naar Torino. Het was een groot gemis voor de supporters, want om de Nederlander te zien dribbelen in dat prachtige blauw-zwarte shirt deed de fans heel eventjes terugdenken aan de grote Giuseppe Meazza, die ook op onnavolgbare wijze tegenstanders het bos in stuurde. Maar alhoewel Meazza completer was en beter kon voetballen, liet niemand het dribbelen er zo makkelijk uitzien als Wilkes. Slechts een foto in de wandelgangen van het stadion herinnert nog aan Wilkes, want de jongetjes van toen zijn ook alweer ouwe knarren van in de tachtig geworden.

Op gelijke hoogte met Alfredo Di Stéfano en Ladislao Kubala

Na een mislukt avontuur in Torino (voornamelijk door blessures) week Wilkes uit naar de mooiste stad van Spanje, Valencia. Daar rees zijn ster alleen maar hoger en werd steeds meer duidelijk dat Wilkes een bijzondere voetballer was. Zelfs zo bijzonder, dat de grote namen in La Liga, Di Stéfano, Kubala, maar ook Ferenc Puskás en Paco Gento, in hem een gelijke zagen. Zij kenden Wilkes slechts van de verhalen en van stukjes uit de krant, want Europees werd er nog geen toernooi afgewerkt en het Nederlands Elftal wist zich niet te plaatsen voor de WK’s van 1950 en 1954.

0504spovalencia_faas

Zijn eerste seizoen in dienst voor Valencia was meteen ook het beste seizoen in Spanje voor Wilkes. Hij maakte in 28 wedstrijden achttien doelpunten en hoefde alleen Kubala en Di Stéfano voor zich te dulden in de strijd om de topscorerstitel. Wilkes werd echter wel uitgeroepen tot de beste speler in Spanje in 1954 en streed lang mee om het kampioenschap met Valencia in het seizoen 1953-54. De twee seizoenen daarna bleef Wilkes zijn hoge niveau vasthouden, maar met de intrede van het profvoetbal in Nederland voelde hij er veel voor om weer terug te keren naar de Eredivisie. Hij was inmiddels in de gratie gevallen bij de KNVB en als speler van Valencia al enkele keren weer opgeroepen voor Oranje. Het samenspelen met zijn landgenoten beviel hem goed en in 1956 keerde hij terug om voor VVV-Venlo te gaan voetballen.

Het idool van Cruijff

Cruijff was slechts twee jaar oud toen Wilkes naar Milaan vertrok en wist dus weinig van de voetbalkwaliteiten van wat later zijn idool zou worden. Hij hoorde de verhalen aan van zijn moeder, die wel degelijk wist wie Wilkes was, want iedereen wist wie Wilkes was. Cruijff kon moeilijk geloven dat wat zijn moeder vertelde over Wilkes, dat hij soms wel zes of zeven tegenstanders voorbij dribbelde, op waarheid berustte. Van het nieuws dat Wilkes terugkwam naar Nederland veerde Cruijff op, want dit was de kans om Wilkes met eigen ogen te zien voetballen. Cruijff’s moeder werkte in de kantine van De Meer en zodoende was het voor Cruijff makkelijk om alle thuiswedstrijden van Ajax te volgen. Op 5 mei 1957 was het dan eindelijk zover. Ajax deed mee om de landstitel, VVV had ook een prima seizoen en zou uiteindelijk zevende eindigen. Eerder was Ajax er niet in geslaagd in Venlo van VVV te winnen, de wedstrijd eindigde toen in 0-0. Ook in de eigen De Meer was VVV niet te verslaan voor de aanstaande kampioen, ditmaal werd het 1-1.

In april 1957 was Cruijff lid geworden van Ajax, maar op die dag in De Meer werd hij verliefd op een Rotterdammer. Hij maakte daar niet al te veel gewag van want misschien kon hem dat in de problemen brengen, maar Wilkes was vanaf dat moment zijn grote idool. Hoe de lange, tengere Wilkes door de defensie van Ajax sneed was iets wat Cruijff nog niet eerder gezien had. Wilkes was snel, doelgericht, liep met de borst vooruit en was voor niemand bang; precies zoals Cruijff later furore zou maken.

Wilkes hield het echter al snel weer gezien in Nederland omdat hij van mening was dat het voetbal nog te veel amateuristisch was. Hij koos wederom voor Valencia maar belandde nu bij Levante in de Tweede Divisie, waarin hij er in 34 wedstrijden nog eens twintig inschoot. Toch koos hij ervoor om weer terug te keren naar Nederland, inmiddels begonnen de jaren wat te tellen en Wilkes wist dat het voetballen ooit op zou houden. Hij speelde er nog drie seizoenen voor Fortuna en nam na twee seizoenen bij Xerxes in 1964 afscheid. Het seizoen daarna zag de vuurdoop van Cruijff als voetballer in het eerste van Ajax en daarmee stond er direct een opvolger voor Wilkes klaar, een opvolger die uiteindelijk zijn idool en zelfs zijn eigen land ver zou overstijgen.

Een pionier

Met zijn stap naar het buitenland waande Wilkes zich een pionier. Hij liet aan heel Europa zien dat er in Nederland ook een behoorlijk balletje getrapt werd. Sint-Servatius was ook een pionier. De Heilige Servatius was een van de grondleggers voor het Rooms-Katholieke geloof in Nederland. Een wegbereider voor alles wat heilig is in ons land. Wilkes was een wegbereider in een ander geloof, het geloof in eigen kunnen. Hij gaf als een van de weinigen het Nederlandse voetbal een smoel. Het is alleen een beetje jammer dat de KNVB dat te laat door had.

Soms droom ik weleens weg en zie ik een leeg Giuseppe Meazza voor me. Uit de catacomben komen drie grootheden de trap op. Het zijn de naamgever van het stadion zelf, daarachter volgt Giacinto Facchetti en als laatste komt Wilkes de trap op. De mannen vinden elkaar in de liefde voor de bal. Facchetti stuurt Wilkes met een pass op maat de diepte in. Wilkes neemt aan, gaat vier verdedigers voorbij en geeft de bal voor op Meazza. De beste Italiaanse voetballer aller tijden neemt de bal op de borst aan en schiet met een halve omhaal de bal tegen de touwen. Wilkes juicht, maakt een vreugdesprong en valt Meazza in de armen. Facchetti volgt, immer met de strakke blik maar hij is blij, blij met alweer een doelpunt. Meazza en Facchetti kijken samen met een lach op het gezicht naar Wilkes. Ze zouden een moord begaan hebben om met de ’Mona Lisa van Xerxes’ samen te kunnen voetballen, maar jammer genoeg behoorden ze niet tot dezelfde generatie. En zo stappen de drie voetbalhelden van het veld, slechts herinneringen achterlatend. Meazza overleed in 1979, Wilkes en Facchetti in 2006. Iedere avond komen ze bij elkaar in dat lege stadion, dat volgens hen uitsluitend tot de Blauw-Zwarten behoort. En iedere avond weer trappen ze een balletje en vallen ze elkaar in de armen. Opdat ze nooit vergeten worden.

Geschreven door Max van der Gulik

Max noemt zichzelf een voetbalromanticus dan wel voetbalestheticus. Schrijft graag historisch getinte artikelen, als ook analyses van het hedendaagse voetbal. Max is geen fan van een club en raadt dat iedereen van harte aan. Na zijn pensioen heeft hij het voornemen om boeken te gaan schrijven, je moet wat hè.