De magiërs uit het Oosten, deel 4: Nicolae Dobrin

dobrin_13987000

Een van de moeilijkste dingen in het voetbal is de aftakeling van een groot elftal en hoe dat in hemelsnaam op te lossen is. Of misschien is dat al een stap te ver; is het vertrek of het pension van enkele sterkhouders überhaupt wel op te vangen? In het verre maar ook het nabije verleden hebben we enkele schrijnende gevallen gezien. Neem als voorbeeld het Gouden Ajax uit de jaren ’70, dat na het vertek van Cruijff en later Neeskens al snel uiteenviel. Of het AC Milan van 2003 t/m 2007, dat in 2003 en 2007 de Champions League won en in 2005 de finale haalde. Na het vertek van Shevchenko, Kaká en Pirlo en het voetbalpensioen van o.a. Maldini en Cafú was het snel gedaan met de nationale en Europese successen.

Nog recenter kunnen we FC Barcelona noemen. De Catalanen haalden nog wel in 2015 de finale van de Champions League en die werd ook gewonnen van Juventus, maar het had niet de magie van de finales van 2011, 2009 en 2006. Een aanwijsbare reden voor het gebrek aan de magie in de finale van twee jaar geleden leek het ontbreken van Xavi en Puyol, twee uitstekende en even populaire spelers. Ook de aanwezigheid van Ronaldinho in 2006 gaf Barcelona destijds een heel ander, veel speelser karakter. De laatste jaren doet de club verwoede pogingen om iets van die magie terug te brengen, met spraakmakende aankopen zoals Neymar en Luis Suárez en mogelijk nog deze transferzomer Phillipe Coutinho en Ousmane Dembelé, maar het betoverende spel onder Pep Guardiola lijkt nooit meer terug te kunnen keren. Neymar is inmiddels al weer verkocht, want doordat Paris Saint-Germain de clausule in zijn contract van 222 miljoen euro activeerde, zat er voor Barca niets anders op dan de Braziliaan te laten gaan.

De hunkering naar Europees succes

Misschien wel het eerste grote team dat te maken had met de grote aftakeling was het Real Madrid van Alfredo di Stéfano. Het meest succesvolle team in de historie van het voetbal won tussen 1956 en 1960 vijf keer op rij de Europacup 1 en stond ook in 1962 en 1964 in de finale. Toen twee jaar later de Europacup 1 voor de zesde keer in de historie van Real gewonnen werd, waren de tekenenen van een naderende neergang nog niet aanwezig in de Spaanse hoofdstad. In de finale tegen Partizan Belgrado waren de vedettes Di Stéfano en Ferenc Puskás er niet meer bij en de Fransman Raymond Kopa was al een aantal jaar daarvoor gestopt. De enige grote ster nog in dienst van Real was Francisco Gento maar met Pirri, Manuel Sanchís en Amancio had de Koninklijke nog steeds een geweldige selectie om over te beschikken.

real-madrid-arges-1972

Na de winst in 1966 ging het ondanks die goede selectie Europees gezien bergafwaarts met Real Madrid. Internazionale schakelde de club een jaar later uit in de kwartfinale, in 1968 was Manchester United in de halve finale te sterk, in 1969 was het nietige Rapid Wien in de tweede ronde al een brug te ver en een jaar later slaagde Madrid er niet in Standard Luik uit te schakelen, wederom in de tweede ronde. Door de matige prestaties in de competitie in het seizoen 1969-70 speelde Madrid in 1971 niet eens in de Europacup 1, en in 1972 was Ajax in de halve finale te sterk. Niet zo gek dus dat voorzitter Santiago Bernabéu ontevreden was. In zijn hunkering naar Europees succes richtte hij onder meer zijn ogen op een Roemeense spelmaker.

Een gesprek tussen een clubvoorzitter en een communist

Op 25 oktober 1972 reisde Bernabéu af naar Piteşti, Roemenië om daar zijn ploeg te aanschouwen in het kader van de Europacup 1, want na het uitschakelen van het IJslandse Keflavík had Real Madrid Argeş Piteşti geloot voor de tweede ronde. Bernabéu had geen enkel idee wat voor club Argeş was, maar hij was blij verrast over de stad Piteşti, gelegen in het zuiden van het land. Een historische stad met prachtige oude gebouwen, een stad ook dat sterk groeide doordat de industrie er erg toenam. In 1972 kende de stad zo’n 90.000 inwoners maar vijf jaar later was dat aantal al sterk gegroeid naar 123.000 inwoners. Haar meest beroemde inwoner zou de voorzitter van Real Madrid die avond in oktober doen versteld staan.

Dobrin begon tegen Real Madrid sterk aan de wedstrijd. Hij trok het spel naar zich toe en domineerde het middenveld. Zijn dribbels waren bij vlagen onnavolgbaar voor zijn Spaanse tegenstanders en in de 22e minuut zette hij Argeş dik verdiend vanaf de penaltystip op een 1-0 voorsprong. Anzarda maakte voor Real Madrid vlak voor rust in de 41e minuut de belangrijke gelijkmaker, maar na de pauze maakte Madrid weinig aanspraak op de drie punten, laat staan op een gelijkspel. Dat gebeurde dan ook niet, want Prepurgel maakte in de 62e minuut het laatste doelpunt van de wedstrijd. Argeş Piteşti had de Koninklijke op het eigen veld met een 2-1 verslagen en dat in haar eerste campagne in een groot Europees toernooi. Een prestatie om trots op te zijn.

Bernabéu kon negentig minuten lang zijn ogen niet van Dobrin afhouden. De zwierigheid waarmee de spelmaker over het veld liep deed hem denken aan Di Stéfano in zijn beste dagen. De 25-jarige Dobrin had al op vijftienjarige leeftijd zijn debuut gemaakt voor de club uit zijn geboortestad en was intens populair bij de fans. Bernabéu, goed op de hoogte van de politieke situatie in Roemenië, wist dat het moeilijk zou worden om Argeş over te halen haar topspeler te laten gaan. Hij was dan ook van het plan om een nieuw transferrecord te zetten. Liefst twee miljoen dollar had hij over voor Dobrin. Tot dan was Pietro Anastasi de duurste speler aller tijden na zijn overstap van Varese naar Juventus in 1968, een transfer die de Turijnse club 500.000 pond kostte. Ter vergelijking; Cruijff zou in 1973 voor 922.000 pond van Ajax naar Barcelona vertrekken.

clipboard01_381-465x390

Bernabéu keek wat vreemd op van de reactie van Argeş. Zij stuurden de voorzitter namelijk door naar Nicolae Ceaușescu, de secretaris-generaal van de Roemeense Communistische Partij en vanaf 1974 de President van Roemenië. Ceaușescu was in het gesprek met Bernabéu onverbiddelijk; met geen enkele mogelijkheid zou Dobrin Roemenië verlaten voor Spanje. Dobrin werd gezien als ’nationaal erfgoed’ en om die reden mocht hij niet ’vervreemd’ worden van Roemenië en al helemaal niet als werknemer in dienst van een buitenlandse werkgever. Er zat dus niets anders op voor Bernabéu dan met lege handen terug te keren naar Madrid.

Een enkele verschijning in het maagdelijke wit

Op 9 november stelde Real in eigen huis orde op zaken. Er werd met 3-1 gewonnen van Argeş maar pas in de 87e minuut was het lot beslist, toen Santillana de derde treffer maakte. Dobrin was minder dwingend aanwezig dan in de thuiswedstrijd maar had desondanks genoten van de dubbele ontmoeting met de grootste club van Europa. Hij had gehoord van de interesse van Bernabéu en vond het jammer dat het regime van Ceaușescu de transfer blokkeerde, maar besefte dat het niet anders was. Hij had anders het land moeten ontvluchten en zijn familie en vrienden achter moeten laten maar bovenal de fans van Argeş in de steek laten, iets wat hij niet over zijn hart kon verkrijgen.

Toch zou Dobrin wederkeren in Madrid. In december 1972 nam Real afscheid van Gento, die in 1971 gestopt was met voetballen. De Portugese sterspeler Eusébio werd uitgenodigd, alsmede de Hongaarse topper Ferenc Bene en de Joegoslavische linksbuiten Dragan Dzajić. Dobrin maakte dit viertal van gastspelers compleet. Voor deze ene wedstrijd liet het Roemeense regime het toe dat Dobrin uitkwam in een ander tenue dan dat van Argeş of het Roemeense nationale elftal. Bernabéu zou nog een laatste poging gedaan hebben om Dobrin in Madrid te houden, maar de Roemeense speler weigerde het aanbod, omdat de liefde voor Argeş te groot zou zijn.

Dobrin zou uiteindelijk nog meerdere jaren uitkomen voor Argeş, waaronder een memorable ontmoeting met Nottingham Forest, destijds de titelverdediger in het Europacup 1-toernooi in het seizoen 1979-80, maar net als Madrid was ook Nottingham een maatje te groot voor Argeş. Naast een mooie clubcarrière kende Dobrin ook een gedegen interlandcarrière, waarin hij mede verantwoordelijk was voor de plaatsing van Roemenië voor het WK van 1970, maar uiteindelijk zou hij niet op datzelfde WK ingezet worden. Hij stopte met voetballen in 1983, coachte daarna enkele seizoenen Argeş totdat gezondheidsproblemen in 2001 hem noopten uit het trainersvak te stappen. Hij overleed op 26 oktober 2007 op 60-jarige leeftijd aan de gevolgen van longkanker. Dobrin, tamelijk onbekend in West-Europa, had zomaar uit kunnen groeien tot een van de grote spelmakers in de geschiedenis van Real Madrid. Nota bene Ceaușescu weerhield hem daarvan. Het is en blijft een grote tragedie, en daardoor een opmerkelijk verhaal.

Geschreven door Max van der Gulik

Max noemt zichzelf een voetbalromanticus dan wel voetbalestheticus. Schrijft graag historisch getinte artikelen, als ook analyses van het hedendaagse voetbal. Max is geen fan van een club en raadt dat iedereen van harte aan. Na zijn pensioen heeft hij het voornemen om boeken te gaan schrijven, je moet wat hè.