Een tijdperk zonder Cruijff (3): Bertus de Harder

xxl

Noem in het buitenland de naam Johan Cruijff en iedereen weet dat je een Hollander bent, dat je voor goed voetbal staat en dat je deel uitmaakt van een groot voetballand. De indruk wordt weleens gewekt dat Nederland pas internationaal mee ging tellen toen ‘het orakel van Betondorp’ zijn eerste stappen op het hoogste niveau zette. Toegegeven moet worden dat de drie Europacups 1 van Ajax, nog veel meer dan de eerste van Feyenoord, het Nederlandse voetbal een gezicht gaf. Toch heeft Nederland enkele grote voetballers gekend, nog ver voordat Cruijff bij Ajax debuteerde, zelfs toen Cruijff nog geboren moest worden. In deze serie duiken we de geschiedenisboeken in, om de vedettes van weleer uit de schaduw te trekken en ze een plek in de spotlight te geven. In deel 3: Bertus de Harder.

Twee jaar geleden, op 18 mei, werd het ’Noveau Stade de Bordeaux’ geopend, het nieuwe onderkomen van Girondins de Bordeaux. Het nieuwe stadion, ook wel bekend als het ’Matmut Atlantique’, kan ruim 42.000 mensen kwijt en men speelt erop ’AirFibr hybrid grass’, een nieuwe techniek dat ook gebruikt werd voor de velden van het EK van 2016, dat niet geheel toevallig in Frankrijk gehouden werd. Wales won er met 2-1 van Slowakije in de groepsfase, België speelde Noord-Ierland op een hoopje (3-0) en Kroatie won er verrassend met 2-1 van Spanje. De laatste wedstrijd van het EK dat hier gespeeld werd, was de kwartfinale tussen Duitsland en Italië, die door onze Oosterburen na strafschoppen gewonnen werd.

Girondins de Bordeaux heeft sinds het EK haar intrek genomen in het stadion dat er vanaf de buitenkant met haar talloze lange palen wat merkwaardig uitziet. De moderne voetbalfan geeft daar misschien niet zo om, de ervaren groundhopper echter gruwelt van het moderne onderkomen waarin de club nu speelt. Tel daarbij op dat het weinig refereert aan de geschiedenis van de club en het wordt er allemaal niet veel beter op.

Het oude stadion, het Stade Chaban-Delmas, ademde juist wel voetbal, met haar diepe tribunes, haar grote lichtmasten en haar ouderwetse voorgevel. Een stadion vol met historie. Hier voetbalde Alain Giresse, speler van ’Le Carré Magique’, het magische middenveld van het Franse elftal van 1984 dat hetzelfde jaar het EK won. Luis Fernández, Jean Tigana en Michel Platini maakten het viertal compleet. Het beste Franse middenveld ooit en volgens sommigen het beste aller tijden. Ook Tigana speelde voor Bordeaux en vormde een gevaarlijk duo met Giresse.

Terecht is het dan ook dat op de website van de club vooral het verhaal van Giresse centraal staat. Met 587 wedstrijden in de hoofdmacht en 182 goals achter zijn naam heeft hij twee clubrecords te pakken. Giresse, slechts 1.63 meter, was een intelligente spelmaker met een groot loopvermogen en een opvallende behendigheid. Hij werd twee keer kampioen met de club (in haar historie overkwam Bordeaux dat slechts vijf keer) en hij pakte twee keer de Coupe de France.

Le Divin Chauve

Giresse was echter nog niet geboren toen een Nederlander de weg plaveide voor Bordeaux richting de Franse top. Bertus de Harder, geboren als Johannes Lambertus, kwam op 14 januari 1920 ter wereld in Den Haag. Hij begon op zijn dertiende in clubverband te voetballen bij het Haagse Transvaal en kwam in zijn jeugd ook nog uit voor Triomph en Wilsonmeters. Op zijn zeventiende maakte hij zijn profdebuut voor V.U.C., ook uit Den Haag, en bij zijn allereerste bewegingen als semi-prof was men bij de KNVB onder de indruk van de rappe buitenspeler. Met zijn trucs en behendigheid maakte hij het meerdere ervaren spelers erg moeilijk, wat voor een zeventienjarige opmerkelijk was. De Harder moet echter toch vreemd opgekeken hebben toen hij op 21 mei 1938 door de selectiecommissie van de KNVB uitgenodigd werd voor een oefeninterland tegen Schotland. De schok in huize De Harder was helemaal groot toen hun zoon later dat jaar uitgenodigd werd voor het Wereldkampioenschap van 1938, het tweede WK waar het Nederlands Elftal aan meedeed.

xxl-1

Het WK dat gehouden werd in Frankrijk liep uiteindelijk uit op een deceptie voor Oranje, want al in de eerste ronde was Tsjecho-Slowakije met 3-0 te sterk. In de gelederen bij de Tsjecho-Slowaken liep onder andere Oldřich Nejedlý, de topscorer van het WK van 1934 met vijf doelpunten en een absolute topspits in zijn tijd. Voor Sparta Praag liep hij voor de oorlog ieder seizoen met gemak één-op-één als het om wedstrijden en doelpunten aankwam. Overigens was de extra tijd nodig voor Tsjecho-Slowakije om zich van het taaie Nederland te ontdoen. De Harder stond in de basis maar ook hij kon weinig aan het verloop van de wedstrijd veranderen. Het Franse publiek moet genoten hebben van zijn rushes langs de zijlijn en het constante uitdagen van zijn tegenstander. Zij konden echter niet bevroeden dat zij tien jaar later wederom van de Nederlander zouden genieten.

Na het WK bleef De Harder voor V.U.C. voetballen zoals dat gebruikelijk was in die tijd. Een goed WK was geen opstapje naar een mooie buitenlandse transfer zoals het vandaag de dag wel is, simpelweg omdat de regels van de KNVB dat min of meer verboden, op straffe van verwijdering uit het nationale elftal. De Harder speelde tot het moment dat de Tweede Wereldoorlog uitbrak zeven interlands waarin hij drie keer tot scoren kwam. Gek genoeg ging het Nederlandse competitievoetbal tijdens de oorlog ’gewoon’ grotendeels door. De Harder kende daarin zijn sportieve ups en downs. Zo werd hij in 1944 beschuldigd van omkoping waar nooit enig bewijs voor gevonden is, al resulteerde het wel in een schorsing van tweeëneenhalf jaar. Hij accepteerde de schorsing en zou pas in 1946 weer competitief tegen een bal trappen.

De Harder ging na zijn schorsing weer verder waar hij gebleven was; tegenstanders het leven moeilijk maken, toeschouwers vermaken en hordes mensen naar het kleine stadion van V.U.C. trekken. Door een toevallige samenloop van omstandigheden werd De Harder uiteindelijk ontdekt door enkele clubofficials van Girondins de Bordeaux. In 1949 speelde hij namelijk met het B-elftal van Nederland tegen het B-elftal van Frankrijk, in hetzelfde Bordeaux. Het spel van De Harder viel de twee clubofficials van Bordeaux op en niet veel later kreeg hij een uitnodiging om voor de zojuist gepromoveerde club te komen voetballen. Bordeaux kon wel enkele spelers van niveau gebruiken, om ten minste het eerste seizoen op het hoogste niveau overeind te blijven. In navolging van enkele andere grote Nederlandse voetballers ging De Harder tegen de wens van de KNVB in en vertrok hij naar het zuiden van Frankrijk. Het duurde daarna niet lang voordat hij de ’Goddelijke Kale’ genoemd werd, Le Divin Chauve.

Direct erg succesvol

De stap die De Harder maakte, die van een Nederlandse naar een buitenlandse club, was destijds een opmerkelijke. Slechts vier spelers waren hem voorgegaan. De eerste was Gerrit Keizer, die al in 1930 naar Arsenal vertrok om daar in het legendarische team van coach Herbert Chapman te gaan spelen. Beb Bakhuys en Gerrit Vreeken waren daarna de volgende die vetrokken, allebei naar Frankrijk. Bakhuys ging in 1937 voor FC Metz voetballen, Vreeken volgde in 1946 om voor Monaco te gaan voetballen. De vierde speler was Faas Wilkes. Het jeugdidool van Johan Cruijff vertrok in 1949 naar Inter Milaan, waar hij tot de dag van vandaag nog steeds herinnerd wordt, met een ereplek in het Giuseppe Meazza als prachtig eerbetoon.

De Harder ging aanzienlijk meer verdienen in Frankrijk, maar het was vooral het avontuur dat de linksbuiten het meeste aansprak. De stap naar Bordeaux was een gok; de club was zojuist gepromoveerd en was bezig met een nieuw elftal. Waar Bordeaux nu historisch gezien wordt als een van de grotere Franse clubs, was dat zeker niet het geval toen De Harder zijn koffers inpakte voor de reis naar het land van wijn en stokbrood. De Hagenees zou echter al snel uitgroeien tot een talisman voor het nog jonge elftal van trainer André Gérard. Met zijn 29 jaar was de Harder in de bloei van zijn carrière beland.

Al in het eerste seizoen werd Bordeaux tegen alle verwachtingen en voorspellingen in kampioen van Frankrijk. Naaste achtervolger Lille werd uiteindelijk op een achterstand van zes punten gezet (in 1949 kreeg men nog twee in plaats van drie punten voor een gewonnen wedstrijd). Bordeaux maakte de meeste goals (88) en kreeg er het minste van de competitie tegen (40). De aankoop van De Harder bleek een gouden zet geweest. Hij maakte 21 doelpunten voor de club, waardoor hij alleen Jean Baratte (22) en Jean Grumellon (24) voor zich moest laten. Het was echter vooral zijn spel en leiderschap die Bordeaux in de juiste richting stuurden. Met de andere aanvallers Édouard Kargu en Camille Libar vormde hij het meest gevreesde aanvalstrio van heel Frankrijk.

Door het kampioenschap mocht Bordeaux meedoen aan de Latin Cup, een toernooi tussen de kampioenen van de Latijns-Europese landen, te weten Italië, Frankrijk, Spanje en Portugal. De Europacup 1 deed pas in 1955 haar intrede waardoor de Latin Cup als een voorloper van dit toernooi gezien kan worden. In Oost-Europa was men al veel bekender met internationale wedstrijden, daar werd al sinds 1927 de Mitropa Cup gespeeld, een toernooi tussen de teams van Hongarije, Oostenrijk, Tsjecho-Slowakije en later ook Italië en Joegoslavië. De Latin Cup was hier een antwoord op, want de vraag in Spanje, Frankrijk en Portugal was groot naar een internationaal toernooi, omdat het gezien werd als een goede krachtmeting tussen de topteams van de vier landen.

xxl-2
Het Nederlands Elftal voorafgaand aan een interland tegen Denemarken in 1955 (1-1). Bertus de Harder zit gehurkt, geheel rechts.

De eerste editie van de Latin Cup in 1949 werd door FC Barcelona gewonnen, dat in de finale Sporting CP uit Portugal met 2-1 versloeg. Het jaar daarop mocht Bordeaux door het winnen van de landstitel het seizoen daarvoor meedoen en direct wist men de finale te halen. In de halve finale ontdeed het zich van Atlético Madrid, dat onder topcoach Helenio Herrera mooie tijden beleefde. Het was nog veel meer dan stadgenoot Real de grote uitdager geworden van Barcelona in de strijd om het kampioenschap en het kende in Larbi Ben Barek een fenomenale spits. Toch trokken uiteindelijk De Harder en Bordeaux aan het langste eind in deze tweestrijd. Er werd met 4-2 gewonnen van de Spanjaarden. Grote domper was echter het uitvallen van de Nederlandse sterspeler, die aan zijn knie geblesseerd raakte. De Harder miste daardoor de finale tegen Benfica, een wedstrijd die uiteindelijk pas na een replay beslist werd. De eerste wedstrijd was na de verlenging in 3-3 geëindigd en ook de tweede wedstrijd moest door een verlenging beslist worden. Toen dat ook geen soelaas bood, werd er besloten dat een sudden death uitkomst moest bieden. Pas in de 26e minuut daarvan maakte Julinho voor Benfica de winnende treffer.

Groots in Frankrijk, klein in Nederland

Het zou voor de Harder uiteindelijk bij het ene kampioenschap en het avontuur in de Latin Cup blijven. In het seizoen 1951-52 werd er nog een knappe tweede plek behaald en in 1952 werd ook de finale van de Coupe de France gehaald, waarin OGC Nice uiteindelijk met 5-3 te sterk was. Door de watersnoodramp in Nederland nam Bram Appel, die we eerder in deze serie zagen, het initiatief voor een benefieduel. De Harder nam daar ook aan deel en scoorde zelfs een doelpunt tegen een team van Franse sterren. Toen een jaar later het profvoetbal haar intrede deed in Nederland, keerde De Harder terug naar zijn geliefde Den Haag. Hij speelde er een half jaar voor Den Haag ’54 alvorens hij een contract tekende bij Holland Sport. Men kwam er daar echter na een seizoen achter dat De Harder nog steeds onder contract stond in Bordeaux. Omdat het beste er wel af was bij de buitenspeler, stond Holland Sport hem toe terug te keren naar Bordeaux. De Harder speelde daar uiteindelijk tot 1957, waarna hij als aanvoerder afscheid nam.

Direct na zijn pensioen als speler werd De Harder coach in Frankrijk, eerst voor drie seizoenen bij Angoulême CFC, daarna twee jaar bij FC Mulhouse. Met die eerste club werd hij zelfs kampioen en promoveerde hij naar de Ligue 1. Na zijn periode bij Mulhouse trainde hij nog enkele kleinere clubs, voordat hij voorgoed uit het voetbal stapte en zich definitief vestigde in Jeumont, een klein plaatsje bij de grens van Frankrijk en België. Hij overleed daar op 8 december 1982, op 62-jarige leeftijd.

Wat De Harder voor Bordeaux betekend heeft, blijkt wel uit zijn benoeming tot ereburger van de stad in 1950. Daarnaast kreeg hij in 1977 door de Franse voetbalbond de zilveren medaille voor bewezen diensten opgespeld, een prachtige erkenning voor alles wat De Harder voor het Franse voetbal betekent heeft. Verder werd hij in het seizoen 1952-53 uitgeroepen tot de beste speler in Frankrijk, ondanks stevige concurrentie van Raymond Kopa (winnaar van de Gouden Bal in 1958) en Just Fontaine (topscorer op het WK van 1958 met dertien doelpunten). Daarnaast speelden ook Abdelaziz Ben Tifour, Mustapha Zitouni, Roger Piantoni en Roger Marche op het hoogsye Franse niveau, allemaal Europese toppers destijds. De Harder was ze uiteindelijk allemaal te slim af.

In meer dan 140 wedstrijden scoorde De Harder 90 keer, wat hem net onder de Portugees Pauleta plaatst in de all-time ranking. Naast de Goddelijke Kale werd De Harder ook de Goede Prins (Le bon prince), De Koning van het veld (Le roi du terrain) en een Beweegelijke Duivel (Un diable frétillon) genoemd, al klink het in het Frans een stuk mooier. Het is dan ook jammer dat niets meer in het nieuwe stadion van Bordeaux herinnert aan De Harder, terwijl hij zoveel voor de club betekend heeft. Niet zo veel als Giresse nee, maar toch zeker genoeg om iets naar hem in de club te vernoemen. Het is een gemiste kans dat dat nooit gebeurd is.

 

 

Geschreven door Max van der Gulik

Max noemt zichzelf een voetbalromanticus dan wel voetbalestheticus. Schrijft graag historisch getinte artikelen, als ook analyses van het hedendaagse voetbal. Max is geen fan van een club en raadt dat iedereen van harte aan. Na zijn pensioen heeft hij het voornemen om boeken te gaan schrijven, je moet wat hè.