Rond de eeuwwisseling (4): Parma 1999

parma-uitgelicht

In de serie Rond de eeuwwisseling worden verscheidene clubs uit binnen- en buitenland belicht die rond 2000 zeer veel faam genoten, maar tegenwoordig een anoniem bestaan leiden. Vandaag aandacht voor een sterrenteam uit Emilia, dat geformeerd door een zuivelentrepreneur en getraind door een markante eendagsvlieg zowel Italië als Europa bestormde.

Het grote succes dat de Associazione Calcio uit Parma eind vorige eeuw behaalde, kwam allesbehalve uit de lucht vallen. De opmars begon reeds in 1990, toen onder leiding van trainer Nevio Scala met een vierde plaats in de Serie B promotie naar de hoogste afdeling werd veiliggesteld, pas de allereerste (!) in de geschiedenis. Daarnaast werd de club in datzelfde jaar overgenomen door Carlisto Tanzi (zie foto onder), topman van het internationale zuivelconcern Parmalat, die het wel zag zitten in de plaatselijke voetbalclub. Meteen werd geïnvesteerd op de transfermarkt: de toen nog onbekende doelman Claudio Taffarel werd uit Brazilië naar Europa gehaald en de Zweedse middenvelder Tomas Brolin kwam over van IFK Norrköping.

Scala’s mannen schoten uit de startblokken en stapelden in hun eerste Serie A-seizoenen sensatie op sensatie; in 1991 en 1992 eindigde Parma op een respectievelijk zesde en zevende positie, terwijl in het seizoen 1992-93 ook al Europees succes werd geboekt: de net gewonnen Coppa Italia werd gevolgd door victorie in de Europa Cup II door op Wembley Royal Antwerp met 3-1 te verslaan. Parma groeide in internationale statuur en zo konden met Tanzi’s centen ook steeds grotere namen worden aangetrokken; eerst de Colombiaanse aanvaller Faustino Asprilla, hierop volgde de bij Napoli imponerende Gianfranco Zola. Nestor Sensini werd gekocht van Udinese en was de volgende ijzersterke verdediger in een defensie waarin de clublegendes Luigi Apolloni, Lorenzo Minotti en Antonio Benarrivo al een plaats hadden.

calisto_tanzi_parmalat

De zelfs nóg succesvollere jaargang 1994-95, waarin de hoogste eindklassering tot dan toe – derde – werd overtroffen door de gewonnen UEFA Cup – met Dino Baggio die in de finale tweemaal scoorde tegen zijn oude club Juventus –, werd gevolgd door een weer iets minder seizoen 1995-96, tevens het laatste met Scala op de bank. In de Serie A daalde Parma drie plaatsen en ook in de beide bekertoernooien werd het relatief vroeg uitgeschakeld. Scala’s laatste kunstje was echter een heel bijzondere: op 19 november 1995 liet hij door een blessure van vaste keeper Luca Bucci in de topper tegen Milan een Primavera-doelman van nog geen achttien debuteren. Een doelman, die hem op de voorafgaande trainingen sprakeloos liet. Niemand scoorde tegen hem. Ook Milan niet. Zijn naam? Gianluigi Buffon.

De zoektocht naar een nieuwe trainer in de zomer van 1996 was niet zeer lastig. Carlo Ancelotti had in het voorafgaande seizoen de kleine Emiliaanse formatie Reggiana naar de Serie A geloodst, en deze prestatie was voor Tanzi, die Giorgio Predaneschi opvolgde en vanaf dit seizoen zélf de rol van clubpresident bekleedde, indrukwekkend genoeg om de dertiger een contract te geven. De ex-speler van o.a. Milan en Roma leidde Parma in zijn eerste seizoen naar de hoogste eindklassering in de geschiedenis – Juventus werd met twee punten méér kampioen – en het daaropvolgende jaar speelden I Gialloblù met hém op de bank voor het eerst in de groepsfase van de Champions League. Het boekte fraaie thuiszeges op regerend kampioen Dortmund (1-0) en Galatasaray (2-0), maar kwam tóch niet door de groepsfase in een poule die verder uit Sparta Praag bestond. Verder verdampte de hoop op een evenaring van het nationale succes al snel – Parma kwam uiteindelijk niet verder dan plek zes – en Tanzi ontsloeg om deze reden rücksichtslos zijn toptrainer in spe. Vlak boven Parma, op plek vijf, was Fiorentina geëindigd, dat jaar gecoacht door een eveneens onervaren oefenmeester, die als geboren Veronees bij het piepkleine Chievo (1993-97) in de Serie C1 zijn carrière was begonnen. Parma moest kampioen worden, volgens Tanzi. Híj was de juiste man.

Alberto Malesani (zie foto onder) zag dat zíjn selectie redelijk veel verschilde van het Parma dat in 1993 zijn eerste Europese prijs had veroverd. Buffon (zie foto onder, met Cannavaro) had onder Ancelotti Bucci definitief uit het basisteam verdrongen, terwijl Apolloni en Benarrivo beiden op leeftijd raakten en naar de bank waren verdreven. In het vrij aanvallend opererende 4-4-2-systeem van Malesani bestond de centrale defensie naast Sensini in het centrum uit de jonge, bij Napoli opgepikte Fabio Cannavaro. De rechtsbackpositie werd ingevuld door de van Monaco overgenomen Fransman Lilian Thuram en op links stond de bij Varese opgeleide Paolo Vanoli. Bovendien beschikte Parma over een ijzersterk middenveld: de Argentijn Juan Sebastian Verón, die later nog voor o.a. Manchester United zou uitkomen, speelde vaak centraal naast Baggio, die in Alain Boghossian nog een sterke concurrent voor die positie wist. Op rechts zorgde de technische, van Lazio gekochte Diego Fuser, immer voor veel gevaar, en aan de andere kant snelde de jonge Stefano Fiore langs de lijn, of stond het Kroatische manusje-van-alles Mario Stanic zijn mannetje.

buffon-cannavaro

In de competitie was Parma één van de favorieten, maar het begon moeizaam: de eerste twee wedstrijden, tegen degradatiekandidaten Vicenza en Venezia, werden beide doelpuntloos gelijkgespeeld. Op speeldag drie boekte Malesani (zie foto onder) echter zijn eerste succes door in het eigen Ennio Tardini met 1-0 van Juventus te winnen, met als doelpuntenmaker – juist – Dino Baggio. Dit bleek de boost te geven die Parma nodig had, want het won acht van de volgende dertien partijen en sloot zo de andata af met tweeëndertig punten uit zeventien wedstrijden, op een tweede plek achter koploper Fiorentina. Alleen van Perugia (2-1), Cagliari (1-0) en het sterke Lazio (1-3) werd verloren.

Ook in de beide bekertoernooien timmerden de geelblauwen aan de weg. In de Coppa Italia werden achtereenvolgens Genoa en Bari redelijk simpel uitgeschakeld, terwijl in de UEFA Cup voor de winterstop alle drie de rondes werden overleefd. In de eerste krachtmeting werd de Turkse nummer twee Fenerbahçe met moeite geëlimineerd; na een 1-0-nederlaag in Istanbul boog Parma in eigen huis het tweeluik om door met 3-1 te winnen. De cruciale derde treffer werd een kwartier voor tijd door Boghossian met een harde schuiver gescoord. In de zestiende finales werd eveneens moeizaam doorgebekerd ten koste van het Poolse Widzew Lodz; de 2-1-zege in het Ennio Tardini was na een 1-1-uitslag in de heenwedstrijd voldoende voor Malesani’s mannen. Eind november volgde nieuw succes toen het Glasgow Rangers van o.a. Dick Advocaat en Giovanni van Bronckhorst het onderspit dolf. Dit gebeurde met name door een sterke tweede helft van Parma in de terugwedstrijd, waarin een 2-1-achterstand (in totaalscore) op dat moment werd omgebogen in een victorie (4-2).

malesani

Tegen de Schotten speelde de Argentijnse spits Abel Balbo een cruciale rol. De in 1998 van Roma overgenomen Balbo scoorde zowel in de heen- als in de terugwedstrijd, en dat terwijl hij niet eens eerste keus was in de aanval van Parma. Deze voorste linie werd gevormd door een legendarisch spitsenkoppel bestaande uit Hernan Crespo (zie foto onder) en Enrico Chiesa. Crespo had zich als speler van River Plate in 1996 tijdens de Olympische Spelen in Atlanta, waar hij met zes goals topscorer werd, in de kijker van Tanzi gespeeld, die hem direct inlijfde. Hij zou dat seizoen in alle competities liefst achtentwintig keer scoren. Zijn aanvalspartner Chiesa, kind van de stad Genova, kwam in datzelfde jaar over, nadat hij voor zijn club Sampdoria in één seizoen liefst tweeëntwintig competitietreffers had laten noteren. Chiesa, wiens zoon overigens momenteel bij Fiorentina speelt, was bij dit Parma vooral in Europa belangrijk, met acht doelpunten in evenzoveel UEFA Cup-duels.

Ondanks dat de ploeg van Malesani met bijvoorbeeld Balbo dus een aardige back-up had, bleek de selectie van Parma, door Tanzi nog als ‘de allersterkste van heel Italië’ betiteld – en wat betreft de eerste elf had hij daarin niet eens ongelijk -, tóch niet breed genoeg om op álle fronten succes te kunnen hebben. Na de winter zakte het vrij snel door het ijs; in het Delle Alpi werd nog knap met 2-4 gewonnen dankzij een hattrick van Hernan Crespo (zie foto onder), maar er werd (wederom) slechts gelijkgespeeld tegen Vicenza (0-0), Venezia (2-2) en – in eigen huis – tegen middenmoter Bologna (1-1). Bovendien verloor het hierna vier cruciale uitwedstrijden op rij; zowel bij mede-subtoppers Udinese (2-1) en Roma (1-0) als bij titelkandidaten Fiorentina – dat zijn koppositie inmiddels aan Lazio verspeeld had – en Milan (ook beide 2-1) werd Parma met een minimaal verschil gevloerd, waarmee het de titeldroom definitief in rook zag opgaan. De zeges op Salernitana, Perugia, Bari en Empoli waren niet eens een doekje voor het hevige bloeden. Ondertussen was álle focus al op Europa en de nationale beker gezet, en het wist reeds – dankzij de goede 1e seizoenshelft – dat Europees voetbal voor het komend jaar was veiliggesteld; de vraag was alleen nog voor welk toernooi, een spannende strijd.

crespo_parma

In de Coppa Italia werd in januari 1999 aanvankelijk de dalende lijn van de competitie voortgezet; de heenwedstrijd van de kwartfinales in een ijskoud Friuli ging met 3-2 verloren en uitschakeling lag op de loer, maar in eigen stadion werd Udinese meteen bij de keel gegrepen: na achttien minuten stond het al 2-0 door treffers van Verón en Crespo. 4-0 was de eindstand, en dus bekerde Parma door. Dat deed het trouwens ook in de UEFA Cup, op bijna identieke wijze. De uitwedstrijd tegen Bordeaux in een kolkend Chaban-Dalmas ging na een dramatische eerste helft (2-0) en een goal van Crespo vlak voor tijd nipt verloren. Echter, op 16 maart 1999 speelde Parma op het moment dat het écht moest zijn allerbeste wedstrijd onder Malesani. De Fransen, die op het punt stonden in eigen land kampioen te worden en met Kiki Musampa in de gelederen, werden die avond door een ontketend Parma volledig van de mat geveegd. Crespo (2x), Chiesa (2x), Balbo en zelfs Sensini scoorden erop los en toen de rookwolken waren opgetrokken, stond er een eindstand van liefst 6-0 op de borden: ook in Europa was de halve finale bereikt, maar dat was nog zeker niet genoeg.

Op nationaal niveau stuitte men op Internazionale, dat in de kwartfinales nog met Lazio had afgerekend (6-4 over twee duels). Tegen Parma was de kwakkelende formatie van Mircea Lucescu – de tweede van vier (!) trainers dat seizoen – echter volstrekt kansloos. In een bijna leeg San Siro boekte de club uit de kaasstad een klinische 0-2 zege door late treffers van Verón (zie foto onder, met Thuram) en Balbo, waarmee het tweeluik reeds was beslist. In eigen huis werd drie weken later de vernedering van Inter compleet gemaakt door nóg een overwinning (2-1); Malesani en Tanzi waren door het dolle. De finale werd destijds nog over twee duels gespeeld, en de tegenstander hierin was het Fiorentina van Trappatoni en Batistuta, dat zich inmiddels eveneens vol op de bekertoernooien kon richten. In het Ennio Tardini kwam Parma na een kwartier door Valdanito Crespo op voorsprong, maar een late treffer van Batigol zorgde voor een nare smaak in de monden van de Parma-supporters, en niet veel hoop op de tweede Coppa in de historie. Op 5 mei 1999 werd echter alles anders. De wedstrijd op deze zomeravond in Florence kende een bizar scoreverloop; vlak voor rust schoot Crespo Parma virtueel naar de titel, maar een kwartier na de hervatting was deze in handen van Fiorentina door doelpunten van verdediger Repka en middenvelder Sandro Cois. Negentien minuten voor tijd bracht linksback Vanoli zijn team met een steenharde kopbal op gelijke hoogte. Eén doelpunt van Rui Costa, Edmundo of Batistuta was voldoende voor de beker, maar die viel niet. De jonge Malesani won uitgerekend tegen zijn oude club zijn eerste grote prijs, en sprak na afloop de woorden ‘è un segno del destino’ – het is een teken van het lot!

veron-thuram

Het lot van zijn Parma zou echter nog veel mooier worden. In de halve finales van de UEFA Cup troffen I Gialloblù een Atletico Madrid in crisis: het stond in het rechterrijtje in de Primera Divisíon en had de Italiaanse toptrainer Arrigo Sacchi dat seizoen al ontslagen – en kampioenenmaker Radomar Antic teruggehaald. Het had al vanaf de allereerste ronde Europees moeten spelen en had daar al vrij snel alle pijlers op gericht; onder meer Real Sociedad en Roma waren aan de Madrileense zegekar gebonden. Parma liet zich echter niet intimideren door de sfeer van een uitverkocht Calderón; Juninho Paulista wiste vanaf de stip nog wel de openingstreffer van Chiesa af, maar deze sloeg vlak voor rust van dichtbij nogmaals toe. Ruim een kwartier na rust schoot Crespo met een typische spitsengoal – van zes meter verlengde hij een mislukt schot van Fiore – het ijzersterke Parma na één duel al naar de finale. Thuis, in een Tardini dat misschien om die reden maar halfvol zat, werd veertien dagen later het vonnis definitief geveld; door goals van Balbo, Roberto Fresnedoso en Chiesa kwam de totaalscore uit op een overtuigende 5-2.

Een paar dagen vóór de finale had Parma zéér goede zaken gedaan door Inter wederom in eigen huis voor schut te zetten; de 1-3-overwinning zorgde niet alleen voor het nodige zelfvertrouwen en vormde zo de ideale opmaat voor de belangrijkste confrontatie van het seizoen, maar verzekerde de Emilianen ook van minimaal de vierde plaats, en daarmee voorronde Champions League. Overigens was de UEFA Cup-finale van 1999 bijna de Derby dell’Emilia geweest; het Bologna van Carlo Mazzone met Beppe Signori in de spits werd in de halve finale ternauwernood uitgeschakeld door Marseille: na een 0-0 in Frankrijk veroorzaakte doelman Francesco Antonioli in minuut 85 bij een stand van 1-0 in Bolognees voordeel een strafschop, die over moest worden genomen en ook in tweede instantie koeltjes werd benut door aanvoerder (en wereldkampioen) Laurent Blanc, die zo Marseille naar de finale schoot.

In Moskou kwam Malesani met een geweldige tactische vondst: om het 3-4-1-2 van Rolland Courbis zo effectief mogelijk te bestrijden, veranderde hij zijn eigen 4-4-2-formatie voor dit duel in een 3-5-2, waarbij Vanoli opschoof naar linkshalf en Boghossian en Baggio samen het controlerende middenveld vormden, met Verón vlak hiervoor. Het had succes. Alle puzzelstukjes vielen op deze twaalfde mei in elkaar. Parma domineerde volledig en stond na ruim een halfuur al op een comfortabele 2-0-voorsprong dankzij wie anders dan Crespo – na een verdedigingsfout van Blanc – en Vanoli, wederom via een kopbal. Marseille-aanvallers Robert Pirès en Florent Maurice konden niets uitvoeren tegen Cannavaro, Sensini en Thuram en stonden voortdurend op een eiland. Tien minuten na rust besliste Enrico Chiesa (zie foto onder, met Crespo en Thuram) met een steenharde volley in de kruising de finale: 3-0. Dikverdiend mocht aanvoerder Sensini even later de beker omhoogtillen; voor het eerst in zijn geschiedenis had Parma in één seizoen op nationaal én internationaal niveau een prijs gepakt.

chiesa-1999

Ogenschijnlijk nog in de feeststemming verloor Parma hierna allebei de laatste twee competitiewedstrijden: een beschamende thuisnederlaag tegen Piacenza (0-1) werd gevolgd door een 2-1 in het Olimpico bij Lazio, dat daar echter niets meer aan had en het Milan van Alberto Zaccheroni op de valreep met de titel ervandoor zag gaan. Parma bleef Roma, Udinese en Juventus allemaal nipt voor, maar zag Fiorentina, dat tweemaal gelijkspeelde, nog wél voorbijkomen, waardoor het deze jaargang op een vierde plaats afsloot. Ondanks de twee gewonnen prijzen was er bij Tanzi en de supporters toch wat ontevredenheid over de prestaties; van de Serie A werd (veel) meer verwacht. Hierdoor kwam Malesani enigszins onder vuur te liggen, maar hij mocht uiteindelijk tóch aanblijven.

Het volgende seizoen eindigde Parma nog een plekje lager en werd het in alle bekertoernooien vroeg uitgeschakeld. Op 8 januari 2001, daags na de thuisnederlaag tegen Reggina (0-2), de derde nederlaag in vier duels, was het geduld op en werd Malesani ontslagen als trainer van de club die inmiddels de tol van het succes had moeten betalen en een hoop belangrijke spelers uit het team van 1999 al was kwijtgeraakt. Vervolgens ging het voor beide partijen alleen nog maar slechter: Malesani, die het vak plots niet meer in zijn vingers leek te hebben, zag zijn carrière in een gigantisch moeras steeds verder wegzakken. Hij degradeerde achtereenvolgens met Verona (2002), Modena (2004), Empoli (2008) en Siena (2010), en bovendien werd hij in latere jaren na slechts drie duels ontslagen bij Palermo (2013) en na niet meer dan vijf duels – en evenzoveel nederlagen – bij Sassuolo in 2014; dit bleek zijn allerlaatste kunstje te zijn geweest.

Dan de club: na het Parmalat-schandaal in 2003, waarbij vierenhalf miljard aan liquide middelen werden gefingeerd, terwijl deze er niet waren, massaal jaarrekeningfraude werd gepleegd en leningdocumentatie was vervalst – de miljarden waren via de Kaaimaneilanden weggelekt – raakte Tanzi’s bedrijf zo goed als failliet en raakte Parma in een diepe financiële crisis. Alles moest noodgedwongen worden verkocht en het niveau van de selectie daalde hierdoor drastisch. In het seizoen 2004-05 leek de onvermijdelijke degradatie te volgen na een 17e plek in de eindrangschikking, maar de beslissende play-off werd gewonnen tegen, jawel, Bologna. Na jaren ploeteren ging het in 2008 alsnóg mis, maar het keerde onder de nieuwe eigenaar Tommaso Ghirardi vrij snel terug in de hoogste afdeling. Ook deze maakte er echter een potje van, met als gevolg het rampjaar 2014-15 waarin Parma niet alleen allerlaatste eindigde, maar ook zélf failliet ging. Momenteel strijdt Parma in de Lega Pro om terugkeer naar de Serie B. Deze promotie zou wellicht een eerste stap vormen op de lange weg terug richting grote successen, successen wellicht zó groot als die van 1999.

Geschreven door Kris van der Aar

Liefhebber van al het Italiaanse voetbal, samen met schrijven zijn grootste passie. Milanista. Kijkt naar Empoli v Crotone net zo uit als naar El Clásico. Kenner van nutteloze feitjes. Volgt ook Spanje en Frankrijk aandachtig.