Column: Reïncarnatie van de Italiaanse libero

Italy's defender Leonardo Bonucci celebrates his team's 2-0 victory following the Euro 2016 group E football match between Belgium and Italy at the Parc Olympique Lyonnais stadium in Lyon on June 13, 2016. / AFP PHOTO / jeff pachoud

In de wedstrijd Italië – België van het huidige EK was er één moment in de wedstrijd, één geniale ingeving van een van de Italiaanse spelers die misschien wel symbool stond voor het gehele Italiaanse voetbal. De dieptepass van Leonardo Bonucci op Emanuele Giaccherini was er een die heden ten dage nog zelden in het voetbal te bewonderen zijn. Het hielp mee dat de diepgaande Giaccherini de bal perfect aannam en hem tegen de touwen schoot, anders wordt zo’n magnifieke dieptepass al snel vergeten. Voor velen deed het ietwat vreemd aan dat de lange bal van de voet van Bonucci kwam. Het was namelijk een “Pirloesque” pass, een pass die alleen iemand met een uitstekend gevoel voor diepte en een fabelachtig inzicht kan geven. Chiellini kan dit niet. Die had hem óf te hard óf te zacht gegeven, maar nooit zo perfect in de loop van Giaccherini, wat trouwens een heerlijke Italiaanse achternaam is. Maar dat terzijde.

Na het zien van de pass, schoot ik direct in een reflex: is Bonucci, de 1 meter 90 lange verdediger uit Viterbo, een reïncarnatie van de Italiaanse libero? Want na het afscheid van Alessandro Nesta was het zoeken naar een speld in een hooiberg als het om goede Italiaanse libero’s gaat. Het is vooral een rol in het veld die we terugzien bij Duitsland (Boateng en in mindere mate Hummels) en Paris Saint-Germain (Thiago Silva). In het land van Franco Baresi en Gaetano Scirea is het tegenwoordig dun bezaaid als het om uitstekende libero’s gaat. Terwijl het land een traditie heeft op deze plek. De meeste Italiaanse clubteams maar ook het nationale elftal behaalden dikwijls uitstekende resultaten met het aloude “Catenaccio”-systeem. Het systeem, bedacht door de Oostenrijker Karl Rappan en in Italië geïntroduceerd door Nereo Rocco, waarbij er uit wordt gegaan van een “vrije” verdediger achter de verdediging, is natuurlijk ultra-defensief maar ook doordrenkt van romantiek.

In Engeland staat de term “libero” beter bekend als “sweeper” of “ball-playing centre-backs”, waarbij Bobby Moore deze rol op het WK van 1966 met verve vervulde. De Duitsers kennen de rol als de “Ausputzer-rol” en ook onze Oosterburen hebben een traditie met grote spelers op deze positie. Denk aan Franz Beckenbauer en Matthias Sammer, de man die bij Bayern München als technisch directeur tijdens wedstrijden in de dug-out zit. De Fransen noemen het simpelweg “le libéro” en in de jaren 70 was het Marius Trésor en in de jaren 90 Laurent Blanc die deze rol voor het nationale elftal vervulden. Fernando Hierro is dan weer de allerbeste Spaanse “líbero” aller tijden.

Een terugkerend fenomeen

De Italianen hebben echter de rijkste traditie als het op deze positie aankomt. Van Cesare Maldini, de vader van, tot Franco Baresi, de geweldige verdediger van het grote AC Milan uit de jaren 80 en begin jaren 90. Hoe verhoudt Bonucci zich tot al zijn voorgangers en past hij in het rijtje van de beste Italiaanse libero’s aller tijden? En wat maakt Bonucci eigenlijk tot een libero? Die laatste vraag is vrij makkelijk te beantwoorden. Want alhoewel Bonucci ook zeker bekend staat als een solide verdediger die zijn mannetje staat, zijn vooral zijn voetballende kwaliteiten de laatste jaren steeds nadrukkelijker naar voren gekomen. In een driemans verdediging met Barzagli en Chiellini is hij de speler die de opbouw verzorgt. Waar Barzagli en Chiellini doorgaans de spitsen van de tegenstander op zich nemen, zorgt Bonucci ervoor dat er van achteruit gevoetbald kan worden. Na het vertrek van Pirlo is in dat opzicht zijn rol alleen maar groter geworden. In deze positie speelde Bonucci al eens een grote Europese finale met Italië (het vorige EK) en de finale van de Champions League (in 2015 tegen FC Barcelona). Alhoewel beide finales verloren werden, is het toch een prestatie van formaat te noemen.

Zijn cijfers op het huidige EK zijn geweldig te noemen. In de 180 minuten die hij speelde, hoefde Bonucci slechts één keer een tackle uit te voeren. Dat toont niet aan dat hij altijd te laat is, maar juist dat hij dermate goed gepositioneerd staat dat hij nooit een uiterste tackle hoeft uit te voeren. Bonucci maakte dan ook maar één overtreding in de wedstrijden tegen België en Zweden. Slechts een enkele overtreding in de duels met Ibrahimović en Lukaku, ongekende cijfers zijn het. Bonucci gaf in die twee wedstrijden gemiddeld 55 passes waarvan 82% op de plaats van bestemming kwam. Gemiddeld kwamen de helft van zijn lange passes aan en slechts 10% van zijn korte passes kwam niet aan. Voor een libero zijn dat uitstekende cijfers. Hij doet het zelfs beter dan Jérôme Boateng, misschien wel de beste centrale verdediger van dit moment. De Duitser speelde ook 180 minuten maar had daarin meer overtredingen nodig, minder intercepties en gemiddeld meer foute lange passes. Alleen in de korte passing is de speler van Bayern beter (88% om 82%).

Revolutie in het Italiaanse voetbal

Bonucci doet het dus erg goed op het EK in Frankrijk. In Italië ontkom je er echter niet aan om op zijn positie vergeleken te worden met de libero’s uit het verleden. Want al in 1934 kunnen we melding maken van een geweldige libero die met Italië het WK van dat jaar won. Virginio Rosetta was een elegante laatste man voor Pro Vercelli en Juventus in de jaren 20 en 30 en beleefde zijn hoogtepunt op het WK in eigen land. Alhoewel hij de finale niet zou spelen, zou hij in de loop ernaartoe als aanvoerder van groot belang blijken. De aanwezigheid van de grote Giuseppe Meazza en de al even imposante Giovanni Ferrari, de twee grootste vooroorlogse spelmakers van het Italiaanse voetbal, slokte veel van de aandacht op. Rosetta was met zijn ervaring achterin echter net zo belangrijk als de twee spelmakers. Hij zou verder ook nog vijf keer op rij kampioen worden met Juventus, een record dat pas door het huidige Juventus geëvenaard werd.

De eerste grote naoorlogse libero was de vader van Paolo Maldini, Cesare. Alhoewel hij later qua prestaties door zijn zoon grotendeels overtroffen is, was Cesare instrumentaal in het verbreken van de hegemonie van Real Madrid en Benfica in de eerste zeven edities van de Europacup 1. Op Wembley werd Benfica in 1963 met 2-1 verslagen, waarmee Cesare zijn eerste en enige Europese beker zou winnen. Maldini werd verder vijf keer kampioen met AC Milan, waar hij tussen 1954 en 1966 het grootste gedeelte van zijn carrière zou spelen. Hij werd verder als enige Italiaan in 1962 verkozen in het All-Star team van het door de Brazilianen gewonnen WK. Gelijktijdig met de opmars van AC Milan en Cesare Maldini deed zich nog een nieuwe geweldige libero aan. Armando Picchi, op 20 juni 1935 geboren in Livorno, was de libero van “Il Grande Inter”, het Internazionale uit de jaren ‘60 dat onder trainer Helenio Herrera grote successen boekte. Picchi won in zijn tijd bij Inter drie scudetto’s en twee keer de Europacup 1, in 1964 en 1965. Een blessure voorkwam dat Picchi zou schitteren op het voor Italië succesvolle EK van 1968. Zijn interlandcarrière bleef daardoor beperkt tot slechts twaalf interlands.

Uitstekende duo’s

Iets wat niet geldt voor Roberto Rosato, de opvolger van Maldini bij AC Milan en uiteindelijk ook Picchi bij het nationale elftal. Rosato, de man met het Engelengezicht, was een prachtige speler om te zien, iets waar een jonge Johan Cruijff in 1969 mee kennismaakte. Ajax stond toen als eerste Nederlandse club in de finale van de Europacup 1, maar de mannen uit Milaan waren met 4-1 te sterk voor de jonge Ajacieden. Rosato werd verder in zijn tijd bij AC Milan slechts één keer kampioen maar won wel drie keer de Coppa Italia. Naast de Europacup 1 in 1969 was ook het winnen van het EK van 1968, waar Rosato onomstreden was in het hart van de Italiaanse verdediging, een ander hoogtepunt voor de man uit Chieri. Dat EK werd samen gewonnen met Sandro Salvadore, een andere goede opbouwende verdediger die met Juventus in de Serie A in die jaren oppermachtig was. Salvadore werd verder twee keer kampioen met AC Milan en drie keer met de Oude Dame. En waar Rosato wel wist te winnen van Cruijff, ging Salvadore in 1973 met Juventus ten onder tegen Ajax, slechts een goal van Johnny Rep in de vijfde minuut was genoeg.

Wat Rosato en Salvadore voor het EK van 1968 waren, waren Gaetano Scirea en Claudio Gentile voor het WK van 1982. Gentile was de kuitenbijter, de mannetjesputter die op datzelfde WK Diego Mardadona dusdanig goed verdedigde, dat hij de Argentijnse sterspeler onzichtbaar maakte. Scirea was naast Gentile een toonbeeld van rust en elegantie, een ontzettend sportieve speler ook. Gentile zocht de rand op en ging er ook veelvuldig overeen, Scirea had alleen al aan zijn inzicht genoeg om aanvallen van de tegenstander onschadelijk te maken. Het leverde hem naast die WK-titel zeven kampioenschappen met Juventus op, alsmede twee keer de Coppa Italia. In 1977 won hij ook nog eens de UEFA Cup, om in 1984 en 1985 respectievelijk de Europacup 2 (tegen Porto) en de Europacup 1 (tegen Liverpool) te winnen. Vooral die laatste wedstrijd zou uitlopen op een menselijk drama, toen fans van Liverpool in het Heyssel-stadion door de hekken braken en in het vak van de Juventus-fans terechtkwamen, waarbij 39 fans door verdrukking het leven lieten. Toen Michel Platini de enige goal maakte uit een penalty en daarbij volledig uit zijn dak ging, deed het wat merkwaardig aan. Maar bovenal zal het Juventus van Scirea en Platini de boeken ingaan als een van de beste teams aller tijden.

Eind jaren 80 en begin jaren 90, toen de Serie A verreweg de beste Europese competitie was, maakten twee uitstekende libero’s de dienst uit. Voor AC Milan was dat Franco Baresi en voor Internazionale Giuseppe Bergomi. Twee charismatische spelers, twee absolute leiders in het veld en twee toonbeelden van het Italiaanse voetbal. Baresi won met AC Milan alles wat er te winnen viel en ook Giuseppe Bergomi heeft een indrukwekkend palmares met onder andere drie UEFA Cups, één scudetto en een Coppa Italia. Alhoewel Baresi en Bergomi er op het WK van 1982 al als jonge honden bij waren (22 en 18 jaar), zouden ze pas op het EK van 1988 een centraal duo vormen. Meer dan een halve finale zat er toen niet in. Bergomi en Baresi speelden ook twee jaar later samen, toen er op het WK een knappe derde plek behaald werd. Nadat Italië zich niet wist te kwalificeren voor het EK van 1992, waren de tijden van het duo over. Baresi behaalde nog de finale van het WK van 1994, met naast hem Paolo Maldini in het centrum. Het zou zijn laatste grote eindtoernooi zijn.

Vanaf 2000 tot nu

Twee jaar later, op het EK van 1996, deed zich alweer een nieuwe potentieel grote libero aan. Alessandro Nesta was net 20 jaar, speelde voor Lazio en zou een prachtige carrière tegemoet gaan. Op het EK van 1996 speelde hij nog niet, maar twee jaar later zou hij op het WK van 1998 samen met Paolo Maldini, Fabio Cannevaro en Alessandro Costacurta een erg solide verdediging vormen. Het team werd met deze achterhoede eerste in de poule, het deed dus wat vreemd aan toen de veteraan Bergomi na de groepsfase in de basis kwam ten koste van Nesta. Op het EK in de Lage Landen in 2000 was Nesta echter onomstreden, toen de Italianen de finale haalden waar de Fransen te sterk waren. De toernooien van 2002 en 2004 waren geen groot succes voor Italië, maar in 2006 werd het land voor de vierde keer wereldkampioen door in de finale Frankrijk na penalty’s te verslaan. Materazzi stond in plaats van Nesta in de basis, een grotere stijlbreuk was haast onmogelijk. Alessandro Nesta werd verder met Lazio en AC Milan drie keer kampioen, hij won drie keer de Coppa Italia en in 2003 en 2007 werd de Champions League gewonnen. Nesta nam uiteindelijk in 2012 afscheid van AC Milan, om na avonturen in Montreal en India in 2014 zijn schoenen aan de wilgen te hangen.

Bonucci is Nesta’s troonopvolger, zowel in de Serie A als voor de nationale ploeg. Het enige wat misschien nog ontbreekt op het palmares van Bonucci, is een grote Europese prijs, hetzij een EK of de Champions League, hetzij een wereldtitel. Hij werd al met Juventus vijf keer op rij kampioen en won ook al twee keer de Coppa Italia, maar een echt memorabele titel ontbreekt. Bonucci was er al twee keer dichtbij, op het EK van 2012 en in de Champions League-finale van 2015, maar twee keer mocht net niet zo zijn. Of dit huidige EK door de Italianen gewonnen kan worden, zal de tijd ons leren. Italië is geen schim meer van het voetballand dat het ooit was, de huidige selectie is uiterst pover te noemen. Bonucci kan dat lichtpuntje zijn, maar of het genoeg is voor de titel? Het zou hem voor altijd een plekje in de lijst van de beste Italiaanse libero’s aller tijden opleveren. En dat is, in Italië, heel wat waard.

Geschreven door Max van der Gulik

Max noemt zichzelf een voetbalromanticus dan wel voetbalestheticus. Schrijft graag historisch getinte artikelen, als ook analyses van het hedendaagse voetbal. Max is geen fan van een club en raadt dat iedereen van harte aan. Na zijn pensioen heeft hij het voornemen om boeken te gaan schrijven, je moet wat hè.